BIJ INLEIDING
1. Steen (1990) geeft een korte inleiding voorafgaand aan een onderzoeksverslag. De artikelen
over retorische metaforen van Van Eemeren en Grootendorst (1995a,b) vormen een geslaagde
popularisering van de CMT, maar zijn beperkt van omvang en reikwijdte. In het Engels is Lakoff en Turner
(1989) een goede inleiding tot de CMT met veel aandacht voor literaire metaforiek. Gibbs (1992) biedt een
bondige bespreking van de belangrijkste moderne theorieën. Wie vooral geïnteresseerd is in interpretatie
kan terecht bij Thompson en Thompson (1987), een vergelijkende toepassing van vijf recente theorieën op
het werk van Shakespeare. (Ze kiezen passende voorbeelden en vinden dan ook alle vijf theorieën
geslaagd. Een conceptualistische conclusie is dat de taal van Shakespeare tegenwoordig nog steeds
'leeft' doordat hij een virtuoos is in de originele combinatie van clichés.) In de belangrijkste bundel
Metaphor and Thought (Ortony 1993b) komen allerlei psychologische, taalkundige, filosofische en sociale
aspecten aan bod.
BIJ HOOFDSTUK 1
1. Ook bekend als het 'mentalisme'. Kortweg te definiëren als het principe dat de mens een
denkend wezen is. Het voorgaande paradigma in de psychologie, het behaviorisme, ontkende dat of
stelde tenminste dat objectieve kennis over wat er in de geest gebeurt onmogelijk was.
2. Het is opmerkelijk dat Blacks models in de interactietheorie nauwelijks genoemd worden. Tot op
zekere hoogte is dat aan hemzelf te wijten, zoals hij later toegeeft: "I am now impressed, as I was
insufficiently so when composing Metaphor, by the tight connections between the notions of models and
metaphors. (...) Every metaphor is the tip of a submerged model" (Black 1979b: 31).
3. Deze bewering klinkt niet erg overtuigend, want het localisme in de grammatica, een in de late
jaren zeventig populaire variant van de case grammar, onderzocht uitsluitend grammaticale patronen waar
men ruimtelijke metaforen in zag. Verkuyl (1994: 67) spreekt overigens van "het localistische kader voor
1970", maar ik neem aan dat hij het localisme van voor 1980 bedoelt. Het is wel waar dat een recente
localistische metafoortheorie (Veale en Keane 1992) uitstekend verenigbaar is met de CMT. Maar Veale
en Keane erkennen dan ook dat ruimtelijke ervaring niet allesbepalend is. Ze maken van de nood een
deugd door de interessante hypothese op te werpen dat ruimtelijke kennis als het ware een skelet vormt
dat bekleed kan worden met andersoortige betekenislagen. Dit zou verklaren hoe men onmiddellijk de
globale strekking kan herkennen van ingewikkelde of dubbelzinnige uitspraken.
4. Bij Lakoff c.s. vinden we wel hetzelfde 'progressieve' pessimisme over de ideologische waarde
van conventionele metaforen. Ik zou zeggen: als de transportmetafoor kenmerkend is voor de mensheid,
de moderne Westerse cultuur en de wetenschap, dan zal ze toch niet alleen een negatieve invloed gehad
hebben.
5. De uitspraak "Hamlet gaat niet over pindakaas" is een gevleugeld woord in spe, bedacht door
Will van Peer.
6. In het algemeen is de transportmetafoor niet half zo absurd als een werkelijk radicaal
subjectivisme. Een van de problemen is bijvoorbeeld het begrippenpaar succes/mislukking, dat Reddy
herhaaldelijk gebruikt. Voor een subjectivist kan er echter maar één criterium zijn voor succesvolle
communicatie, namelijk de tevredenheid van de 'ontvanger'. Praktisch beschouwd: als u wilde
armbewegingen maakt in de richting van een man die een verkeersweg oversteekt en die zwaait vrolijk
terug, dan heeft hij uw gebaren perfect begrepen, ook al wordt hij het volgende moment door een auto
overreden. Reddy presenteert zijn alternatief overigens in de vorm van een schilderachtige mythe, het
toolmakers' paradigm, waarin het vormen van betekenis door de 'ontvanger' wordt voorgesteld als het
bouwen van gereedschap volgens gefaxte schetsen met de natuurlijke materialen die de eigen
leefomgeving biedt.
7. Lakoff (1987, 1989) onderscheidt voor concepten wel drie niveaus: superordinate (bv. 'voertuig'),
basic ('auto') en subordinate ('sportwagen'). Uit onderzoek blijkt namelijk dat noch zogenaamde
semantische primitieven, noch Kantiaanse categorieën, maar concepten van gemiddelde algemeenheid
een centrale rol vervullen in de menselijke cognitie. Ze worden bijvoorbeeld als eerste door kinderen
geleerd, worden met een enkele zintuiglijke voorstelling geassocieerd en bevatten meer attributen dan
hogere of lagere niveaus.
8. Bij andere letterlijke analogieën zal er een lichte betekenisverandering optreden bij omkering,
maar niet zo drastisch als bij de omkering van metaforen. Een voorbeeld is Parijs: Frankrijk :: Canberra :
Australië, waarin een in alles dominante hoofdstad vergeleken wordt met een formele hoofdstad, die als
compromis tussen twee machtscentra gekozen is.
9. In die zin is de concretiseringshypothese (§ 2.1) bedacht naar het model van de invariantie-hypothese. Verder is het evident dat er een inhoudelijke verwantschap bestaat, maar het is nog onzeker
wat die precies inhoudt. Het begrijpen van een metafoor bestaat volgens de concretiseringshypothese ten
dele uit een proces van abstractie (sic) van bron- naar doeldomein; de projectie van een algemene
structuur zou daarvan een onderdeel kunnen vormen. Verder valt de concretiseringshypothese
vermoedelijk strenger te formuleren dan de invariantiehypothese en zal ze mede om die reden beter te
toetsen zijn.
10. Met uitzondering van de alle metaforen overkoepelende mapping ABSTRACT <- CONCREET, die
men uit de concretiseringshypothese (§ 2.1) zou kunnen afleiden, zoals ALGEMEEN <- SPECIFIEK gebaseerd is
op de invariantiehypothese.
11. Een interessant dwarsverband is dat Black (1962) een poging doet de Whorf-hypothese op
filosofische gronden te weerleggen. Blacks voornaamste bezwaar is dat Whorf zich misleidt door de
zogenaamde linguist's fallacy: de neiging om structuren en categorieën aan het bewustzijn van de
taalgebruiker toe te schrijven die de taalkundige pas na een ingewikkelde analyse weet te 'ontdekken'.
Daarmee miskent Black volgens mij de bedoeling van Whorf om niet bewuste kennis te beschrijven, maar
juist "the background of experience of which we tend to remain unconscious". Want "if a rule has
absolutely no exceptions, it is not recognized as a rule or as anything else... Never having experienced
anything in contrast to it, we cannot isolate it and formulate it as a rule until we so enlarge our experience
and expand our base of reference that we encounter an interruption of its regularity" (Whorf 1956: 209).
Hier zit een kern van waarheid in, die van belang is voor de studie van conceptuele metaforen; stuk voor
stuk zijn die niet uitzonderingsloos, maar de concretiseringshypothese is dat wel. Het dient echter
benadrukt te worden dat ook rationele speculatie ons denkraam kan verruimen.
12. Naar mijn idee besteden ze ten onrechte geen expliciete aandacht aan de mogelijkheid dat er
universele metaforen bestaan, die per cultuur verschillend ingevuld worden, maar op een algemeen
niveau (bv. TIJD <- RUIMTE) noodzakelijkerwijs identiek zijn. Het vraagt natuurlijk veel onderzoek om dat idee
te toetsen. Overigens schrijven Lakoff en Turner (1989) wel vrij strenge universele beperkingen toe aan
het metafoorbegrip: dat zal altijd gedeeltelijk, directioneel en 'invariant' zijn. En metaforen van het generic
level zoals GENERIC <- SPECIFIC beschouwen ze wel als universeel geldig (1989:166).
13. Zoals Gibbs een duidelijk onderscheid maakt tussen concept en ervaring: "We certainly have an
experience of time that is not metaphorical, but we conceptualize time via metaphor" (Gibbs 1994: 441, zijn
cursivering).
14. Ze 'leven' nog in zoverre, dat ze openstaan voor woordspelingen en de vorming van nieuwe
uitdrukkingen op basis van de conceptuele metafoor die men er nog steeds in kan herkennen. Lakoff en
Turner (1989: 129) reserveren de term 'dood' dan ook voor etymologische metaforen die voor de gewone
taalgebruiker helemaal niet meer waarneembaar zijn. Verderop in deze paragraaf is er nog aandacht voor
empirisch onderzoek naar vaste uitdrukkingen, die lang niet altijd geïsoleerde gevallen vormen.
15. De post-structuralist Downes vertoont - opzettelijk - dezelfde blindheid voor het verschil tussen
bewuste en onbewuste kennis. Als bezwaar tegen de conceptualistische interpretatie van King Lear door
Freeman (1993a) voert hij aan dat "before reading Lakoff and Freeman, most readers, myself included,
couldn't tell their inventory of image schemas from their elbows" (Downes 1993: 124). Waarop Freeman
(1993b: 130) antwoordt dat hij het metaforische image schema kennis zicht toch knap weet toe te
passen in zijn betoog; vandaar de titel van Freemans repliek: "Read 'Reading the language itself' itself". Nu
beseft Downes wel dat hij zich op glad ijs begeeft, want hij maakt een ongemotiveerde uitzondering voor
syntactische kennis: "Equally absurd in this context - although not in the domain of syntactic knowledge -
would be the Chomskyan argument that Shakespeare et al. would have unconsciously known the requisite
schema, although this knowledge would not have been introspectively available" (Downes 1993: 127, zijn
cursivering). Natuurlijk wist Shakespeare als schrijver tot op zekere hoogte wat hij deed, zonder dat hij de
betreffende taalkundige formuleringen hoefde te kennen. Er is geen reden waarom dat bijvoorbeeld wel
voor inversies zou gelden maar niet voor elisies of metaforen.
16. Een zelfde argument vinden we reeds bij de middeleeuwse islamitische denker Al-Ghazali, maar
dan in een heel andere discussie, namelijk zijn theologische debat (hier over de Schepping) met 'de
filosofen' (Al-Farabi, Avicenna en andere volgelingen van Aristoteles). Hij besluit een redenering over de
oorzaak, die slechts in metaforische zin een handeling is, als volgt: "Thus, metaphorically it is said: 'He said
by his head, i.e., nodded, Yes.' And this is the reason why he who says: 'He spoke with his tongue, and
saw with his eyes,' will not be taken to task. And the meaning of this expression will be a denial of of the
metaphorical import of the words. This is the stumbling block. A warning must be given here, for this is the
place where these idiots have fallen into error" (Al-Ghazali 1958: 66).
17. Lakoff en Turner (1989) maken met name bezwaar tegen twee principes die aan dit concept ten grondslag liggen. Het eerste is het principe van semantische autonomie: het idee dat woorden betekenis dragen zonder betekenisoverdracht vanuit andere conceptuele domeinen. De CMT heeft duidelijk gemaakt dat de meeste concepten op metaforische wijze begrepen worden; slechts weinige zijn in hun geheel direct uit ervaring afgeleid.
Het tweede prinicipe is het objectivisme. Dit bestaat volgens hen uit twee onderdelen: de stilzwijgende aanname dat de wereld een objectieve structuur bezit, los van het menselijke begrip, en de bewering dat taal direct naar deze objectieve werkelijkheid verwijst, waaruit volgt dat proposities absoluut waar of onwaar zijn, afhankelijk van de toestand in de wereld, maar onafhankelijk van wat iemand denkt. De logisch-positivisten, zou ik willen toevoegen, trekken zelfs de conclusie dat de objectieve werkelijkheid de betekenis van een concept vormt, zodat een oncontroleerbare bewering geen enkele betekenis heeft. Dit principe "fails to recognize that a statement can be meaningful only relative to its defining framework (...) Since conceptual frameworks are products of the human mind, the structure of reality as it is reflected in human language is not objective in the technical sense, that is, not mind-free" (Lakoff en Turner 1989: 118).
Lakoff en Johnson (1980) stellen op grond van vergelijkbare argumenten een geheel nieuwe
epistemologie voor: de Mythe van het Experiëntialisme, die de plaats zou moeten innemen van twee
gangbare extremen, namelijk de mythen van Objectivisme en Subjectivisme. Hier wil ik drie
kanttekeningen bij plaatsen. In de eerste plaats lijkt het gebruik van de term 'mythe' een oprisping van
subjectivisme. In de tweede plaats geven ze niet aan of dit een wetenschapsfilosofie is, die de
rechtvaardiging vormt voor hun onderzoeksmethode, of een wetenschappelijke filosofie, die juist op hun
onderzoek is gebaseerd. Wel is het laatste aspect duidelijk het belangrijkste. Dit onderscheid is nodig om
een circulaire argumentatie te voorkomen. In de derde plaats is het Experiëntialisme niet zo nieuw als zij
het voorstellen. Een positie tussen objectivisme en subjectivisme wordt ook vertegenwoordigd door onder
meer het gematigde empiricisme van Locke, de expliciete verzoening van deze tegenpolen door Kant, het
fictionalisme, de fenomenologie en het pragmatisme van William James. Evenmin is het aannemelijk dat
de meeste wetenschappers werken met een absolute opvatting van objectiviteit. Het nieuwste aspect is
eigenlijk dat ze het idee van de lichamelijke ervaring als de uiteindelijke bron van kennis vanuit de
continentaal-Europese filosofie hebben ingevoerd in de Angelsaksische wetenschap. In het bijzonder zou
het interessant zijn om te onderzoeken hoe het Experiëntialisme zich verhoudt tot de vergelijkbare filosofie
van het constructivisme, dat Ortony (1979a) ontwaart in diverse artikelen van Ortony (1979c). Een vorm
van constructivisme is ook de filosofische grondslag van de Empirische Literatuurwetenschap volgens Siegfried J. Schmidt.
© Edwin den Boer 1998