Inleiding





Onderwerp

De laatste drieëntwintig jaar is er meer vooruitgang geboekt in het theoretisch metafooronderzoek dan in de voorgaande drieëntwintig eeuwen sinds Aristoteles het verschijnsel een naam gaf. De visie op de metafoor in de klassieke en de traditionele retorica was weliswaar niet eenvormig (Nöth 1985), maar de discussie draaide er om een beperkt aantal steeds terug kerende problemen. Voorzetten tot vernieuwing werden in deze eeuw gegeven door Richards (1936) en Black (1962). Maar pas aan het einde van de jaren zeventig kwam het metafooronderzoek goed op gang. Het werd gestimuleerd door de bloei van de cognitieve psychologie, de toegenomen interdisciplinaire contacten en de beschikbaarheid van een zekere 'kritische massa' aan theoretische alternatieven. Het aantal publicaties is explosief toegenomen. Nieuwe opvattingen zijn ontwikkeld en oude verworpen. Brede consensus is niet bereikt, maar als er één inzicht terrein heeft gewonnen, dan is dat wel het idee dat de metafoor meer is dan een zeldzame, anomalische stijlfiguur in poëzie of retoriek; integendeel, metaforisch denken blijkt een essentieel kenmerk van de menselijke geest te zijn. Het is een voorrecht om te mogen aansluiten bij deze boeiende ontwikkeling.

Zoals blijkt uit de titel en de indeling, bestaat deze scriptie uit drie onderdelen. Het eerste hoofdstuk is een uiteenzetting en verdediging van de conceptuele metafoortheorie (verder CMT), die geïntroduceerd werd door Lakoff en Johnson (1980). Dit is de meest invloedrijke van de nieuwe benaderingen en de theorie waarin het bovengenoemde inzicht het meest consequent is uitgewerkt. In het tweede hoofdstuk wordt voorgesteld die theorie uit te breiden met het principe van concretisering: het idee dat het begrijpen van elke metafoor bestaat uit het omzetten van concrete betekeniselementen binnen het ene concept of complex van concepten in abstracte elementen binnen het andere. Daarbij is er ook aandacht voor de fictionaliteit en de potentiële meerduidigheid van elke metafoor. In het derde hoofdstuk wordt onderzocht, met behulp van criteria gebaseerd op de concretiseringshypothese, in hoeverre en op welke wijze literaire teksten (gedichten en verhalen) metaforischer zijn dan andere (nieuwsberichten en wetenschappelijke artikelen). Dat is dus een literatuurwetenschappelijk gedeelte, waar de eerste twee hoofdstukken eerder een taalkundig karakter hebben. Een rode draad door het geheel is de verhouding tussen conventionele en originele metaforen.

Deze scriptie is primair een onderzoeksverslag en niet bedoeld als inleiding in de metafoortheorie. Maar misschien is dit het enige recente Nederlandstalige werk dat die functie zou kunnen vervullen.(1) Daarom worden de meeste theoretische richtingen in het voorbijgaan wel behandeld, maar sommige worden alleen kort aangestipt. Ter oriëntatie worden er relatief veel literatuurverwijzingen gegeven. Verder is er niet gestreefd naar een overzicht van de verschillende thematische gebieden, vormen en aspecten van metaforiek. En er waren natuurlijk meer beperkingen. Helaas was er geen ruimte voor twee andere vormen van literatuurwetenschappelijk onderzoek dan tekstanalyse: een toepassing van de CMT op de interpretatie van complete literaire teksten, wat echter al eerder met succes is gedaan (Turner 1987, Lakoff en Turner 1989, Freeman 1993a), en een toetsing van het tekstonderzoek aan de oordelen van andere lezers.


Eenheid van theorie

In dit werk wordt zoals gezegd de conceptuele metafoortheorie verdedigd. Er wordt dus niet naar gelang van onderwerp een geschikte theorie uitgekozen, zoals vrij gebruikelijk is in de literatuurwetenschap. Op die manier kan men alles verklaren, maar wie alles kan verklaren, verklaart niets. We hebben behoefte aan een beschrijving van de metafoor die consistent is en waarin keuzes worden gemaakt. Dat geeft niet alleen verklarende kracht; het maakt de empirische toetsing ook veel eenvoudiger. Niet alle onderdelen van een theorie hoeven namelijk apart getoetst te worden; in principe staat of valt de theorie zelfs met elke hypothese.

Dit Popperiaanse principe wordt ook in de metafoortheorie vaak niet nagevolgd. Sommige onderzoekers (met name Shen 1992, zie ook § 2.3 en § 2.4) combineren twee theorieën die elkaar goed aanvullen, maar samen nog steeds tekort schieten. Anderen zijn voorstanders van een zekere combinatie van de CMT met de interactietheorie van Richards (1936), Black (1962, 1979b), Kittay en Lehrer (1981) en Kittay (1987). Deze twee benaderingen zijn echter onverenigbaar, want hoewel ze op veel punten overeenkomen is het metafoorbegrip volgens de CMT een éénrichtingsverkeer en volgens de interactietheorie een tweerichtingsverkeer. Voorstanders van deze combinatie komen juist in Nederland veel voor: zie Forceville (1994, 1995a), Steen (1994), Stienstra (1993) en Von der Thüsen (1991).

Gibbs (1992) voert aan dat metafoortheorieën verschillen doordat ze verschillende momenten in de verwerking van metaforen benadrukken. Hij trekt daaruit de conclusie dat theoretisch pluralisme gerechtvaardigd is. Er is echter wel degelijk een moment aan te wijzen dat meer aandacht verdient dan de andere, namelijk het moment waarop de metaforische analogie gevormd of herkend wordt. De voorafgaande fasen zijn niet specifiek voor de metafoor en de volgende fasen, zoals interpretatie en waardering, zijn afhankelijk van deze. Uit dit artikel kunnen we wel leren dat een bepaald moment (bv. het begrip) niet zonder meer beschreven kan worden op grond van onderzoek naar een ander moment (bv. de interpretatie). Overigens past Gibbs in zijn eigen onderzoek hoofdzakelijk de CMT toe.


Interdisciplinariteit

Interdisciplinaire contacten hebben een grote bijdrage geleverd aan de bloei van de metafoortheorie. Het vakgebied in wording heeft zich in de jaren tachtig ontplooid door middel van interdisciplinaire bundels: Ortony (1979c, 1993b), Sacks (1979), Honeck en Hoffman (1980), Miall (1982), Paprotté en Dirven (1985) en Vosniadou en Ortony (1989), later gevolgd door themanummers van tijdschriften, zoals Poetics Today 13: 4 (1992). In 1986 is de institutionalisering van het vakgebied begonnen met de oprichting van het tijdschrift Metaphor and Symbolic Activity, dat tegenwoordig Metaphor and Symbol heet. De Brusselse bibliografieën (Van Noppen e.a. 1985, Van Noppen en Holst 1991) vermelden steeds meer artikelen per jaar, maar een compleet overzicht als in sommige specialismen is moeilijk te organiseren.

Interdisciplinaire samenwerking vraagt om een zekere afstemming van de verschillende theoretische kaders van verschillende vakgebieden, zonder tegenstellingen te verdoezelen. Maar de algemene metafoortheorie speelt zich gelukkig af op het terrein van een gevestigde interdiscipline, de psycholinguïstiek. Taalkundig metafooronderzoek op grond van teksten of taalmateriaal is vaak eenvoudiger om uit te voeren, maar het is psycholinguïstisch onderzoek, in de vorm van gedragsexperimenten of directe waarnemingen van het brein, dat de empirische waarde van een theorie bepaalt. Lakoff (1989, 1990) noemt dit the Cognitive Commitment.

Voorzover de kenmerken van originele metaforen verband houden met kenmerken van literatuur, is dit werk tevens bedoeld als een bijdrage aan een empirische literatuurwetenschap. Deze kan goed met de CMT gecombineerd worden, want het is een benadering die psychologisch (en sociologisch) onderzoek beschouwt als beslissend voor de empirische toetsing van hypothesen. Deze scriptie is echter niet, zoals het werk van Steen (1990, 1994), nadrukkelijk gesitueerd binnen het theoretische kader van de Empirische Literatuurwetenschap zoals voorgesteld in Schmidt (1980-82) en Hauptmeier en Schmidt (1985). Ik neem aan dat de algemene metafoortheorie volstaat om de belangrijkste aspecten van literaire metaforen te beschrijven. Aspecten die specifiek zijn voor het (literaire) tekstbegrip, zoals de vaardigheid van de lezer of de rol van de uitgebreide context, kunnen later wel ingevuld worden. Steen gebruikt de 'polyvalentieconventie' en de 'esthetische conventie' van Schmidt (de neiging tot meerduidigheid en fictionaliteit in de literatuur als sociaal systeem, dus zowel onder lezers als onder schrijvers) als raamwerk om de originaliteit van literaire metaforen te beschrijven. Dat lijkt een voor de hand liggende keuze, maar de metafoor is te ingewikkeld en te belangrijk om als een gewone stijlfiguur behandeld te worden - om nog maar te zwijgen over de vraag of deze conventies wel bruikbaar, geldig of zelfs maar van elkaar te onderscheiden zijn.

Behalve de CMT volg ik in principe de benadering van Martindale (1990), Van Peer (1986) en Zwaan (1993), om denkbeelden uit de traditie van het Russisch Formalisme en het Structuralisme te confronteren met psychologisch onderzoek en vice versa. In de praktijk komt daar weinig van terecht, want er was zoals gezegd geen gelegenheid voor lezersonderzoek en er is in de genoemde traditie geen bruikbare bijdrage aan het denken over de metafoor ontdekt. Shen (1995) hangt een zelfde uitgangspunt aan, waar hij wel uitvoering aan geeft. Toch is er hier een volledige paragraaf gewijd aan kritiek op zijn onderzoek (§ 2.4).


Taalkwesties

De meeste voorbeelden van metaforen in dit werk zijn in het Engels geformuleerd want gebaseerd op onderzoek naar Engelse teksten of de Engelse woordenschat, omdat het wetenschappelijke debat over de metafoor grotendeels in die taal gevoerd wordt. Het merendeel van de toonaangevende nieuwe benaderingen, waaronder de conceptuele theorie, is namelijk afkomstig uit het Angelsaksische taalgebied, met name de Verenigde Staten. Daar komt nog bij dat er Engelstalige teksten geanalyseerd zijn (om andere redenen, zie p. 115).

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit echter geen ernstig bezwaar. De conventionele metaforen die op basis van de Engelse woordenschat beschreven zijn komen we ook in andere moderne Europese talen tegen. Bij metaforische systemen die uitgebreid zijn beschreven zijn voorzover mogelijk Nederlandse voorbeelden vermeld. Maar het is wel voorstelbaar dat er in het Engels relatief veel metaforische uitdrukkingen voorkomen, omdat technische ontwikkelingen en levendige subculturen voortdurend nieuwe concepten en nieuwe zegswijzen voortbrengen. In niet-Europese talen komen soms andere, maar vaak ook dezelfde metaforen voor. Er is nog te weinig onderzoek naar gedaan om vast te stellen of er universele metaforen bestaan, maar de structuur en de functie van het metaforische systeem hebben zeker universele eigenschappen.


Definitie en notatie

Wat is een metafoor? Een gedetailleerde definitie moet vooralsnog achterwege blijven. Het is namelijk niet verstandig om een definitie als uitgangspunt te nemen, zo zal aan het begin van hoofdstuk 2 betoogd worden. Voorlopig wordt de metafoor hier gedefinieerd als: het opvatten van een concept in termen van een ander concept uit een verschillend betekenisdomein. Wat de relatie 'in termen van' precies betekent dient nader bepaald te worden, maar dat is een empirische vraag, geen definitie-kwestie. In ieder geval is het niet correct om de talige uitdrukking van de metaforische relatie een metafoor te noemen, hoewel dat kortheidshalve wel eens gedaan zal worden.

De betrokken concepten (plus de concepten die ermee geassocieerd worden) worden hier meestal aangeduid als 'domeinen'. Bij de metafoor computervirus kunnen we de begrippen 'virus', 'ziekte' en 'mens' of 'dier' tot het brondomein rekenen en 'ongewenst verborgen programma', 'storingen' en 'computer' tot het doeldomein. De metaforische betekenisoverdracht verloopt dus in metaforische zin van een bron naar een doel, net als een vertaling. Het brondomein, of een gedeelte ervan, staat ook wel bekend als 'bronterm' of 'bronconcept', 'beeld/metafoor voor ... [het doeldomein]', 'vehikel' of vehicle, 'focus', secondary/subsidiary subject en donor field. Het doeldomein heet ook wel 'doelterm' of 'doelconcept', tenor, 'onderwerp' of topic, frame (alle letterlijk gebruikte woorden in de zin), primary/principal subject of recipient field. Het leeuwendeel van deze termen is afkomstig uit de interactietheorie. Binnen het doeldomein kan men verder de overdrachtelijke betekenis onderscheiden, die bestaat uit de elementen die vanuit het brondomein toegevoegd worden aan het oorspronkelijke doeldomein.

Metaforische uitdrukkingen worden hier steeds in cursief schrift geciteerd, zonder aanhalingstekens, tenzij ze ingebed zijn in een langer citaat. Zo is ook bij twijfelgevallen in één oogopslag het verschil zichtbaar tussen metaforen en niet-metaforen. De laatste worden gewoon tussen aanhalingstekens geciteerd. Voor alle duidelijkheid: cursief schrift wordt zoals gewoonlijk ook gebruikt voor theoretische termen uit vreemde talen en voor het eerst genoemde termen, of die nu metaforisch zijn of niet. Voor de eigenlijke metafoor komen er twee notaties voor. De gebruikelijke notatie in de CMT is een bewering van identiteit in hoofdletters of in kleinkapitaal, zoals EVENTS ARE ACTIONS. Dit is niet meer dan een naam, een 'geheugensteuntje' voor het onthouden van de correspondenties tussen elementen (Lakoff 1993: 207). Deze notatie wordt wel overgenomen bij de bespreking van teksten waarin ze voorkomt, maar zelf geef ik de voorkeur aan de notatie GEBEURTENIS <- HANDELING. Het pijltje geeft de richting van de betekenisoverdracht aan. Het voordeel hiervan is dat het geen talige vorm is, die tot verwarring kan leiden (zie pp. 110-111), maar evenmin een weergave van een bepaald soort representatie, zoals een analogie, categorisatie of vergelijking.

De term 'begrip' wordt in twee hoofdbetekenissen gebruikt: ten eerste als aanduiding voor het begrijpen van de metafoor als proces of het resultaat daarvan, een bepaalde opvatting van een metafoor, ten tweede als aanduiding voor theoretische begrippen. Andere begrippen worden 'concepten' genoemd, om verwarring met de eerste hoofdbetekenis te vermijden. De term 'metaforiciteit', tenslotte, wordt in dit werk in drie verschillende betekenissen gebruikt. Ten eerste als synoniem van 'figuurlijkheid' en 'fictionaliteit', ten tweede als synoniem van 'originaliteit'. Deze begrippen hangen naar mijn idee nauw samen. Ten derde betekent 'de metaforiciteit van een tekst' het metaforisch gehalte: een meting van de hoeveelheid metaforen in de tekst, waarbij originele metaforen zwaarder wegen dan conventionele.



© Edwin den Boer 1998

Terug naar boven Naar volgende onderdeel: § 1.1 Overzicht Metafooronderzoek Welkomstpagina