Conclusie







Hier volgt eerst een samenvatting van het voorafgaande. Daarna worden enkele mogelijkheden voor vervolgonderzoek besproken.

Het uiteindelijke doel van deze scriptie was kwantitatief onderzoek te doen naar het idee dat de literatuur gekenmerkt wordt door een bovengemiddelde frequentie van metaforen, met name originele metaforen. Dit is een onomstreden opvatting, maar deze frequentie is nog nooit eerder gemeten. Voordat die meting uitgevoerd kon worden, moest er eerst aandacht besteed worden aan het onderscheidende karakter van originele metaforen, wat ook nooit systematisch onderzocht was. Er zijn hier ruime omwegen bewandeld om bij het einddoel uit te komen, maar die 'omwegen' verdienen ook als zelfstandige onderwerpen de aandacht.



Hoofdstuk 1

Om inzicht te krijgen in de metafoor in het algemeen, ben ik te rade gegaan bij de conceptuele metafoortheorie (CMT), bekend van Lakoff en Johnson (1980) en Lakoff en Turner (1989). Die theorie is kritisch geanalyseerd maar verdedigd tegenover andere benaderingen.

De CMT heeft op twee niveaus een conceptueel karakter. Ten eerste wordt de metafoor beschouwd als een relatie niet tussen woorden of dingen, maar tussen concepten. Een enkele metafoor kan daarom tientallen of zelfs honderden verschillende uitdrukkingen mogelijk maken. Een concept uit een bepaald betekenisdomein (het doeldomein) wordt begrepen door middel van een concept uit een ander domein (het brondomein). Een complicatie is dat er niet bij wordt verteld hoe concepten van domeinen te onderscheiden; de termen 'brondomein' en 'doeldomein' worden ook wel gebruikt om alleen de betrokken concepten aan te duiden. Domeinen worden beschouwd als geordende verzamelingen van concepten. Betekenis wordt beschreven als een 'structuur', vaak in metaforische zin, maar sinds Johnson (1987) ook wel letterlijk. Hij beschrijft domeinen als image schemas: schematische voorstellingen die het midden houden tussen concepten, beelden, sensorische en motorische gegevens.

Ten tweede worden metaforen beschouwd als bepalend voor het conceptuele systeem van culturen en personen. Metaforische uitspraken en gedachten zijn haast alomtegenwoordig. Conventionele metaforen zijn geen 'dode' overblijfselen van oude stijlfiguren, maar levende ideeën die - vaak ongemerkt - invloed uitoefenen op hoe men de wereld waarneemt. Een opmerkelijk voorbeeld is de CONDUIT-metafoor, de transportmetafoor voor communicatie, beschreven door Reddy (1979).

Wat voor soort relatie is de metafoor volgens de CMT? Er is sprake van een analogie, maar het gaat om iets anders dan een letterlijke analogie. In de eerste plaats is de metaforische analogie directioneel, met andere woorden: eenrichtingsverkeer, namelijk een projectie (mapping) op het doeldomein van onderdelen van het brondomein. In de tweede plaats worden er niet alleen relaties overgedragen (een klassieke analogie is een identiteit van twee relaties), maar ook posities (slots) in een semantisch domein, eigenschappen en achtergrondkennis (Lakoff en Turner 1989).

De meetkundige meta-metafoor 'projectie' veronderstelt dat er een zekere 'betekenisstructuur' behouden blijft. Dat is inderdaad de bedoeling: in hun invariantie-hypothese stellen Lakoff (1990) en Turner (1990) dat het behoud van de algemeenste kenmerken een beperking is die geldt voor elke metaforische betekenisoverdracht, tenzij de metafoor uitdrukkelijk bedoeld is om ze te veranderen, zoals een personificatie. Verder stellen ze dat een metafoor altijd slechts gedeeltelijk werkt, zodat nooit alle onderdelen van het brondomein of het doeldomein bij de projectie betrokken zijn.

Om terug te keren tot de conceptuele invloed van conventionele metaforen: er wordt vaak beweerd dat de CMT die invloed overschat, ten koste van het rationele denken. Daarbij wordt er soms gewaarschuwd voor een conceptueel relativisme, naar analogie van het taalrelativisme dat gewoonlijk toegeschreven wordt aan Whorf en Sapir. Men kan inderdaad van mening verschillen over de reikwijdte van conceptuele metaforen en vooral over de vraag hoe schadelijk hun invloed is. Maar het rationele principe dat we niet willoos overgeleverd zijn aan een metaforisch begrippenapparaat gaat uitstekend samen met de CMT.

Om te beginnen is een metafoor geworteld in een concrete ervaringsgrond (Experiential Base, Lakoff en Johnson 1980), die maar heel gedeeltelijk door culturele verschillen wordt bepaald. Er bestaan bovendien volledig onmetaforische concepten en juist die vormen vaak het brondomein van metaforen. Deze beide processen worden grounding genoemd. Verder wordt een concept nooit helemaal door middel van metaforen begrepen. Daar komt nog bij dat we het ideologische effect van een metafoor kunnen tegengaan door bewustwording. En we zijn vrij om nieuwe metaforen of variaties op bestaande te bedenken. Sterker nog: dat is een belangrijk kenmerk van een levende taal of cultuur.

De vernieuwing van het metaforische gedachtengoed is dan ook een belangrijke functie van de literatuur volgens Lakoff en Turner (1989). Juist omdat zij meer aandacht besteden aan conventionele metaforen dan traditionele benaderingen, zijn ze beter in staat om de bijzondere positie van originele, 'poëtische' metaforen te begrijpen. Ze erkennen wel de mogelijkheid van compleet nieuwe metaforen, maar ze beschouwen de variatie op bestaande metaforen terecht als de normale vorm van vernieuwing. Daarbij maken ze een subtiel onderscheid tussen de specifieke uitwerking van een eerder gebruikt onderdeel van een brondomein en de uitbreiding tot een onderdeel dat niet eerder metaforisch opgevat werd. Andere typisch poëtische procédés zijn volgens hen metafoorkritiek (questioning) - mijns inziens geen conceptuele categorie - en het creatief combineren van verschillende conventionele metaforen (composing). Verder zien Lakoff en Turner (1989) in poëzie een prominente rol voor beeldmetaforen. Deze passen ogenschijnlijk niet in een conceptuele benadering, maar het idee van het image-schema verschaft juist een uniek inzicht in de wisselwerking tussen propositionele en zintuiglijke kennis.

De genoemde vormen van variatie zijn interessant voor de interpretatie van literatuur, maar niet bruikbaar voor een kwantitatieve analyse die verder gaat dan het onderscheid tussen conventioneel en origineel. Er komt echter wel hetzelfde scala aan eigenschappen in voor als in de criteria die ik uiteindelijk gekozen heb om de mate van originaliteit te meten (beeldendheid, nieuwheid en complexiteit) - al krijgt de nieuwheid daarbij minder nadruk en de beeldendheid meer.

De CMT is de meest veelzijdige metafoortheorie, relatief duidelijk geformuleerd (met de nadruk op 'relatief') en goed toetsbaar op verschillende punten. Hoewel er nog nauwelijks empirisch onderzoek verricht is om de CMT te toetsen, leveren verscheidene vakgebieden overtuigende bewijzen. Sweetser (1990) toont aan dat een enkele conceptuele metafoor (GEEST <- LICHAAM) een groot deel van de betekenisverschuivingen in de Indo-Europese taalfamilie heeft gestuurd. Wat betreft de samenhang tussen metaforische uitdrukkingen heeft Steen (1994) in principe gelijk dat daaruit geen conclusies getrokken mogen worden over de verwerking van metaforen door individuele personen. Maar wie communicatie onderzoekt zal vooral geïnteresseerd zijn in kennis die door de meeste leden van een cultuur of taalgemeenschap gedeeld wordt, en wie de conceptuele verklaring niet accepteert, zal er een andere cognitieve verklaring voor de onbetwiste samenhang tegenover moeten stellen. Bovendien is er empirisch bewijs uit andere, betrouwbaarder bronnen. Gibbs (1994) vermeldt een groot aantal experimenten waaruit onder andere blijkt dat zelfs de betekenis van idiomatische uitdrukkingen gemotiveerd wordt door metaforen en dat kinderen al vroeg metaforische vaardigheden verwerven, die bovendien conceptueel georganiseerd blijken te zijn.



Hoofdstuk 2

Het is een algemeen aanvaarde opvatting dat het brondomein van een metafoor gewoonlijk concreter is dan het doeldomein. Uit het onderzoek van Shen (1995) blijkt dat dit ook geldt voor poëtische metaforen. Lakoff en Johnson (1980) benadrukken vooral de worteling (grounding) van metaforische kennis in concrete ervaringen. Lakoff (1993) benadrukt dat ongrijpbare zaken als abstracties en emoties gewoonlijk door middel van metaforen beschreven worden. Maar er kan nog veel meer gedaan worden met dit idee, als het maar scherper geformuleerd wordt.

Daarom stel ik in plaats van deze globale concretiseringshypothese een functionele concretiseringshypothese voor: Het begrijpen van elke metafoor bestaat uit het omzetten van relatief concrete onderdelen (eigenschappen, posities, relaties) van het brondomein in relatief abstracte equivalenten die geschikt zijn om op het doeldomein toe te passen. Deze hypothese kan absoluut geformuleerd worden doordat alleen de relevante onderdelen in aanmerking genomen worden, niet de complete domeinen of de domeinen zoals ze in de uitdrukking aangeduid worden. 'Concretisering' wil zeggen dat een metafoor een concretere indruk geeft dan een letterlijk alternatief; we zouden echter ook van een abstractie- of abstraherings-hypothese kunnen spreken, als we de nadruk niet op de productie maar op het begrip zouden willen leggen.

Omdat er geen uitzonderingen worden toegelaten, mogen we veronderstellen dat het proces van abstractie een onbewust automatisme is, dat een centrale rol zal spelen in het metafoorbegrip. Maar het ligt in de rede dat er nog een aantal andere processen kunnen optreden. Het belangrijkste is een tegenpool van de abstractie, namelijk een concrete, fictionele voorstelling van de relatie tussen bron- en doel-domein. Volgens de CMT is die relatie zoals gezegd een soort analogie. Een analogie kan naar mijn idee fictioneel zijn, maar ik neem aan dat een nieuwe, onbekende metafoor aanvankelijk alleen wordt waargenomen als een verbinding (een categorisatie, identiteit of een andere eenvoudige propositie) tussen bron- en doeldomein, beschouwd als ongelede concepten. Hoe dan ook, abstractie en concretisering zijn vormen van begrip die in uiteenlopende verhoudingen samen zullen voorkomen bij elke metafoor, ongeveer zoals de alternatieven focusinterpretatie en vehikelinterpretatie die Reinhart (1976) onderscheidt.

Een paradoxaal en typisch literair kenmerk van de metafoor is dat ze metaforischer is, meer zeggingskracht heeft, naarmate ze langzamer en moeilijker begrepen wordt. Dit betekent dat een metafoor origineler is naarmate de fictionele voorstelling meer aandacht ontvangt, want die laat open welke onderdelen van het brondomein relevant zijn en hoe die geabstraheerd worden tot onderdelen van het doeldomein. Nu ligt het volgens mij voor de hand dat de fictionele voorstelling dominanter is naarmate het verschil in concreetheid dat wordt waargenomen tussen de functionele onderdelen van het brondomein en hun overdrachtelijke betekenis groter is - dat verschil maakt het namelijk moeilijker om het proces van abstractie snel en exact uit te voeren. Originaliteit is dus in principe af te meten aan dit 'concreetheidsverschil', al zal de operationalisering wel met complicaties gepaard gaan.

Maar wat is concreetheid eigenlijk? Ik houd de volgende definitie aan: Een concept is concreet naarmate het kenbaar is uit ervaring en abstract naarmate het kenbaar is uit rationele overdenking. De kern van de menselijke ervaring is de zintuiglijke waarneming. Maar niet alleen beeldendheid bepaalt de concreetheid van een concept: het gaat ook in het algemeen om de mate waarin het betrokken is bij menselijk handelen; verder is een concept concreet als het specifiek is of duidelijk omlijnd.

De functionele concretiseringshypothese is niet experimenteel getoetst, maar wel hard gemaakt in tekstueel en theoretisch onderzoek. Er kon een functionele concretisering aangewezen worden in alle voorbeelden uit Shen (1995), ook als het globale brondomein abstracter was dan het doeldomein. Het theoretische onderzoek bestond uit de weerlegging van een vijftal theorieën die beweren, veronderstellen of de mogelijkheid open laten dat er omkeerbare, symmetrische metaforen bestaan, met andere woorden: dat als we bron- en doeldomein zouden omwisselen, er een betekenisoverdracht in omgekeerde richting tussen dezelfde onderdelen zou plaatsvinden. Dat zou namelijk een bijzonder sterk argument tegen de hypothese zijn, omdat het niet afhangt van een bepaalde definitie van concreetheid.

1. Een duidelijk symmetrische benadering is de traditionele opvatting dat een bestaande abstracte similariteit het verband vormt tussen de letterlijke en de metaforische betekenis van een woord. Deze betekenissen worden soms als homoniem beschouwd, de metafoor meestal als 'dood'. Lakoff en Johnson (1980) sommen een reeks bezwaren op, onder andere dat er onmogelijk een abstracte overeenkomst kan bestaan die de lading dekt van een brondomein waar veel verschillende doeldomeinen bij horen, of een doeldomein waarvan verschillende aspecten worden belicht door verschillende brondomeinen. Vermoedelijk is een wederkerige abstracte similariteit juist kenmerkend voor letterlijke vergelijkingen.

2. Ortony (1993) stelt een asymmetrische variatie voor op het thema similariteit, maar zijn salience imbalance model beschrijft alleen een voorkeur, zodat hij omkeerbare metaforen niet kan uitsluiten. Het model heeft bovendien een beperkte waarde omdat het evengoed op vele letterlijke vergelijkingen toegepast kan worden.

3. De interactietheorie wordt geplaagd door onduidelijkheden en inconstitenties in de uitspraken van de bedenkers Richards (1936) en Black (1962). Soms lijken zij te doelen op een volledige, symmetrische interactie tussen bron- en doeldomein, wat tegen elke intuïtie en logica in gaat. Wanneer ze een geloofwaardig voorbeeld van interactie aanwijzen, gaat het om nogal banale verschijnselen, zoals de selectie van relevante onderdelen uit het brondomein op grond van het doeldomein, een proces dat ook bij allerlei letterlijke uitdrukkingen voorkomt, of interactie tussen de globale domeinen, zonder een specifieke omkeerbare betekenisoverdracht op het niveau van de onderdelen. Forceville (1995a) verdedigt een asymmetrische interactietheorie, maar hij weet geen raad met voorbeelden van symmetrische interactie die wel degelijk te ontkrachten zijn.

4. De benadering die de metafoor als een normale, symmetrische analogie beschouwt, heeft dezelfde nadelen als het salience imbalance model: ze geldt niet uitsluitend voor metaforen en evenmin voor alle metaforen. Een belangrijk inhoudelijk gebrek is dat men de fictionaliteit van metaforen miskent. Sommige analogieën kunnen zowel letterlijk als metaforisch begrepen worden; alleen de letterlijke analogie kan dan omgekeerd worden zonder de betekenis te veranderen.

5. De categorisatietheorie van Glucksberg en Keysar (1990) lijkt bijzonder asymmetrisch, maar dat valt tegen. Zij beschouwen de metafoor als een categorisatie ad hoc, waarbij het brondomein tegelijk zijn naam geeft aan de 'diagnostische' categorie die het samen met het doeldomein vormt en optreedt als prototypisch element van die categorie. Het probleem is dat ze toch de categorie afleiden uit bestaande overeenkomsten tussen beide domeinen, net als in een similariteitsmodel. Dat levert een vage abstractie op, die geen recht doet aan de rijkdom van het brondomein, en die niet of nauwelijks zou veranderen als men de metafoor zou omdraaien. Dat is de voornaamste reden dat de combinatie van deze theorie met het salience imbalance model in Shen (1995) ofwel nietszeggende ofwel ongerijmde interpretaties blijkt op te leveren.

De categorisatietheorie zegt niets over het eigenlijke metafoorbegrip, maar het is misschien wel mogelijk om het 'oppervlakkige' verband tussen de domeinen bij een nieuwe metafoor op te vatten als een soort categorisatie, waarbij dan de volle nadruk gelegd moet worden op het prototypische karakter van het brondomein.



Hoofdstuk 3

Op basis van de CMT en de concretiseringshypothese kan er beter onderzoek gedaan worden naar het aantal originele metaforen in literaire teksten. Het primaire criterium om originaliteit te meten was zoals gezegd het 'functionele concreetheidsverschil', dat wil zeggen: de mate waarin de onderdelen van het brondomein die aan de metaforische betekenis bijdragen concreter zijn dan de corresponderende onderdelen van het doeldomein. Omdat de omvang van dit verschil moeilijk vast te stellen en moeilijk uit te drukken is, zijn er bij de tekstanalyse drie secundaire criteria gehanteerd, te weten: beeldendheid, nieuwheid en complexiteit.

Beeldendheid is het belangrijkste aspect van concreetheid, hoewel het niet altijd relevant is. Voorzover mogelijk is het relatief opgevat, zodat de beeldendheid van het doeldomein als negatieve indicatie geldt. De andere secundaire criteria volgen minder direct uit het concreetheidsverschil. Hoe bekender een specifieke metafoor is, hoe groter de kans dat het abstracte begrip geautomatiseerd is en dat de oorspronkelijke concreetheid van het brondomein niet meer wordt opgemerkt. Daarom is nieuwheid altijd een relevant aspect van originaliteit, hoewel niet zo belangrijk en niet zo goed waarneembaar als gewoonlijk wordt aangenomen. Complexe metaforen zijn origineel omdat de betekenisrijkdom de aandacht bij het fictionele begrip houdt en omdat er meerdere malen een concreetheidsverschil ervaren wordt.

Bij de analyse van teksten bleek de doeltreffendste werkwijze te bestaan uit het indelen van de metaforen, volgens de genoemde criteria, in de vier onderstaande niveaus of categorieën:

0. Zeer conventionele metaforen (ZCM).
1. Beeldende conventionele metaforen (BCM).
2. Enkelvoudige originele metaforen (EOM).
3. Meervoudige originele metaforen (MOM).

Metaforen van de laagste categorie, de ZCM, zijn niet geregistreerd. Deze zijn namelijk talrijk in alle genres en soms nauwelijks te onderscheiden van letterlijk ¬taalgebruik; ze zullen geen merkbare invloed op de lezer uitoefenen, maar alleen op subtiele wijze gangbare denkpatronen bevestigen.

De tekstanalyse is uitgevoerd door mijzelf. In dit stadium was het belangrijker om een valide en nauwkeurige methode te ontwikkelen dan om een zo groot mogelijke objectiviteit na te streven door de tekstanalyse aan proefpersonen over te laten. De analyse was niet vrij van intuïtieve beslissingen, maar daar staat tegenover dat ze per metafoor controleerbaar is. Bij wijze van verantwoording zijn er zoveel mogelijk verklarende aantekeningen toevoegd in de weergave van de tekstanalyse. Bovendien blijkt uit empirisch onderzoek dat er bij de beoordeling van één aspect van metaforische of literaire teksten geen grote verschillen tussen beoordelaars optreden.

Er is een corpus van ruim 10 000 woorden geanalyseerd, bestaande uit 30 teksten, verdeeld in vier genres: tien gedichten, acht fragmenten van verhalen, vijf nieuwsberichten en zeven fragmenten van wetenschappelijke artikelen. Alle teksten zijn aselect gekozen uit recente Engelstalige periodieken. Deze willekeurige selectie zou beter gewerkt hebben bij een groter aantal teksten, maar dan zou de kwaliteit van de analyse in gevaar zijn gekomen. Er was één probleem met de representativiteit van de teksten: onder de verhaalfragmenten waren de slotpassages oververtegenwoordigd, die aanzienlijk metaforischer bleken te zijn dan de overige fragmenten. Dit had echter geen ernstige gevolgen, omdat de verhaalfragmenten juist lagere resultaten behaalden dan verwacht.

De metaforen zijn op twee manieren geteld: als types, het aantal verschillende metaforen in de tekst, en als exemplaren, het totale aantal vermeldingen van metaforen. Naast de drie getelde categorieën zijn de resultaten uitgedrukt in drie afgeleide maten, om een vergelijking met andere metingen te vergemakkelijken: de ongewogen totale metaforiciteit (OTM = BCM + EOM + MOM), de gewogen totale metaforiciteit (GTM = BCM + 2×EOM + 4×MOM) en de index van metaforische originaliteit (IMO = GTM/OTM).

De hypothese was dat alle variabelen behalve BCM hoger zouden zijn naarmate de teksten 'literairder' waren. Daarbij is aangenomen dat poëzie het meest literaire genre is, in aflopende rangorde gevolgd door proza (de verhalen), nieuwsberichten en wetenschappelijke artikelen. De hypothese is in grote lijnen bevestigd door de resultaten. Er treden duidelijk significante verschillen op in de voorspelde richting, behalve bij de BCM (types en exemplaren) en de OTM (exemplaren). Bij de afzonderlijke vergelijking van genres valt op dat de gedichten aanzienlijk metaforischer zijn dan de andere genres. MOM-uitdrukkingen kwamen alleen in literaire teksten voor. Globaal samengevat: metaforen, met name originele gemeten als types, kwamen vaker dan elders voor in literaire teksten, vooral in gedichten.

Ten behoeve van de tekstanalyse is er aandacht besteed aan bijzondere metaforen, mogelijk misleidende niet-metaforen en bijzondere metaforische uitdrukkingen. Eén bijzondere uitdrukkingsvorm, de nominatieve formulering ("A is B"), is vooral voor de theorie interessant. Deze vorm wordt vaak aangehaald door metafooronderzoekers, maar bleek in het corpus slechts een of twee keer voor te komen. Dat was een reden om metaforen niet in deze vorm te noteren, maar met de formule A <- B, die bovendien verwarring tussen de conceptuele metafoor en de uitdrukking tegengaat.



Vooruitzichten

Tot besluit wil ik een aantal mogelijkheden voor verder onderzoek naar originele metaforen aangeven. Dit is geen uitputtende opsomming en ze sluiten niet allemaal aan bij de hoofdlijn van dit onderzoek.

Door de bloei van het metafooronderzoek heeft de laatste jaren ook het onderzoek naar andere vormen van figuurlijk denken en taalgebruik een impuls gekregen. Voor similes en idiomen ligt dat voor de hand, want die zijn meestal metaforisch. Maar er zou ook een wisselwerking kunnen optreden met het onderzoek naar metonymie en ironie. Het zou interessant zijn om het onderscheid tussen metafoor en metonymie, dat hier bepaald is op grond van een beschrijving van de metafoor, te confronteren met een beschrijving van de metonymie, al zal die figuur nog moeilijker te definiëren zijn. De vergelijking van metafoor en ironie zou naar mijn idee gebaat zijn bij een benadering die de nadruk legt op het belang van fictionaliteit voor beide figuren. Daarmee zou wellicht een beter begrip van de ironische metafoor verkregen worden, en een esthetische verklaring van het verschijnsel humor, in aanvulling op de bekende psychologische verklaringen.

Nu zijn we nog niet eens toegekomen aan een esthetische verklaring voor het grote aantal originele metaforen in literatuur. Het idee van een behoefte aan ideologische vernieuwing en variatie verklaart niet waarom die juist in de literatuur optreedt. Het probleem wordt niet opgelost maar alleen verplaatst als men stelt dat het een maatschappelijk gebruik is om fictie en meerduidigheid toe te laten in literatuur (wat Schmidt 1980-1982 noemt de esthetische en de polyvalentie-conventie). Er is een diepzinniger verklaring te vinden in het beginpunt van de literatuurwetenschap: het Formalistische principe van 'literariteit' door 'vervreemding' of 'de-automatisering'. De nieuwheid en de complexiteit van originele metaforen behoort, evenals ambiguïteit in de uitdrukking en ironie, tot de literaire technieken die het lezen vertragen door de vorm vreemd te maken. Maar we moeten niet vergeten dat die vervreemding een doel dient, namelijk het bevorderen van een bewuste contemplatie van het onderwerp, in plaats van de alledaagse geautomatiseerde waarneming. In de woorden van Sjklovskij:

[G]erade, um das Empfinden des Lebens wiederherzustellen, um die Dinge zu fühlen, um den Stein steinern zu machen, existiert das, was man Kunst nennt. Ziel der Kunst ist es, ein Empfinden des Gegenstandes zu vermitteln, als Sehen, und nicht als Wiedererkennen; das Verfahren der Kunst ist das Verfahren der 'Verfremdung' der Dinge und das Verfahren der erschwerten Form, ein Verfahren, das die Schwierigkeit und Länge der Wahrnehmung steigert, denn der Wahrnehmungsprozeß ist in der Kunst Selbstzweck und muß verlängert werden (Sjklovskij 1969: 15).

De concretiserende werking van beeldende metaforen lijkt een van de krachtigste middelen te zijn om dat 'niet herkennen, maar bekijken' te bereiken. Het nadeel is echter dat een metafoor door de mogelijkheid van een overdrachtelijke betekenis als het ware de abstractie en de automatisering door de achterdeur binnenlaat. Daarom is het ook weer begrijpelijk dat avantgardistische dichters vaak lijken te streven naar volstrekt onbegrijpelijke metaforen of soms zelfs de conceptuele metafoor afzweren.

Maar het belangrijkste vervolg dat aan dit onderzoek gegeven zou kunnen worden is beter empirisch onderzoek naar de originaliteit van metaforen. Men zou kunnen beginnen met een beoordeling door een klein aantal experts volgens dezelfde methode. Verder is er een 'oppervlakkige' methode denkbaar, waarbij de secundaire criteria vertaald worden in vragen die voor minder deskundigen begrijpelijk zijn, en een 'modulaire' methode, waarbij eerst de relevante onderdelen van bron- en doel-domein gekozen worden door proefpersonen en daarna hun concreetheid beoordeeld wordt door anderen. Die methode zou ook gebruikt kunnen worden om de functionele concretiseringshypothese te toetsen, al zal geen enkele methode betrouwbaar genoeg zijn om de absolute geldigheid ervan te toetsen.

Eventueel zou men het onderzoek ook kunnen repliceren met teksten uit een eerdere periode, maar dat zal vermoedelijk geen groot verschil opleveren, behalve dat het nog moeilijker wordt om het criterium 'nieuwheid' toe te passen. Verder is het misschien toch de moeite waard om na te gaan of zeer conventionele metaforen (ZCM) minder vaak in literaire teksten voorkomen dan in niet-literaire. Mijn indruk is dat dat inderdaad het geval is.

Op de lange termijn kan een beter begrip van originaliteit bijdragen aan het voorspellen van de waardering van metaforen. Maar er zijn veel meer eigenschappen van metaforen en uitdrukkingen die daar mogelijk invloed op uitoefenen. Ook spelen verschillen tussen lezers daarbij een rol. Een voorspelbaar verschil is dat ervaren lezers van literatuur originele en moeilijke metaforen hoger zullen waarderen dan minder ervaren lezers.

Dit zal volstaan om aan te tonen dat er in het metafooronderzoek nog genoeg werk te verrichten valt. Maar ik hoop dat deze scriptie de wetenschap op dit gebied een paar kleine stappen vooruit geholpen heeft.



© Edwin den Boer 1998

Terug naar boven Overzicht Metafooronderzoek Welkomstpagina