1.4. Kritiek en empirische toetsing





Tot nu toe heb ik steeds de CMT kritisch besproken, zonder overigens de indruk te willen wekken dat andere benaderingen beter zouden werken. Integendeel, daar valt minder aan te bekritiseren omdat ze minder informatief zijn. In deze paragraaf daarentegen laat ik de kritiek aan anderen over en neem ik de verdediging op me. Helaas is er slechts ruimte voor enkele globaal aangeduide kritiekpunten. Het belangrijkste is de vraag naar de empirische geldigheid van de theorie. Maar eerst komt een ander verwijt van onwetenschappelijkheid aan bod, namelijk het verband tussen de CMT en de Whorf-hypothese.


De Whorf-hypothese: relativisme en determinisme

Een breed gedeeld punt van kritiek, onder andere van Stienstra (1993) en Butters (1981), is dat de concepttheorie te zeer neigt in de richting van een conceptueel relativisme, als voortzetting van het talige relativisme dat bekend is van Whorf (1956) en, in voorzichtiger bewoordingen, Sapir (1944) - ook al waren zij bij lange na niet de eersten die een dergelijk idee naar voren brachten (Fishman 1985a). De Whorf-hypothese stelt in de sterkste formulering dat substantiële grammaticale verschillen tussen talen resulteren in fundamentele en onontkoombare verschillen tussen de wereldbeelden van de verschillende taalgemeenschappen. Dit zouden we met Fishman (1985b) talig determinisme kunnen noemen. Dit determinisme veronderstelt als onderliggende aanname een talig relativisme: het wereldbeeld van een mens of een cultuur hangt niet af van de structuur van de werkelijkheid of van universele menselijke kenmerken (maar wordt bepaald door talige parameters). De formulering geeft al aan dat deze twee aspecten onlosmakelijk verbonden zijn: zonder het determinisme heeft het relativisme alleen een negatieve betekenis.

De Whorf-hypothese is overtuigend weerlegd door empirisch onderzoek.(12) Uit observatie blijkt dat interculturele communicatie succesvol verloopt bij voldoende inspanning: "It appears to be quite possible to talk about anything in any language provided a speaker is willing to use some degree of circumlocution" (Wardhaugh 1992: 224). Dat geldt ook voor zogenaamd onvertaalbare woorden (Stienstra 1993). Pogingen om de hypothese experimenteel te bevestigen hadden het tegenovergestelde resultaat: zo bleek uit een van de experimenten van Caroll en Casagrande (1958) dat Engelstalige Amerikaanse kinderen van Europese afkomst in sterkere mate voorwerpen categoriseerden naar vorm dan kinderen met Navaho als eerste taal, terwijl er in het Navaho grammaticale markeringen gebruikt worden voor vormverschillen.

Maar Lakoff c.s. zetten zich wel degelijk af tegen relativistische benaderingen, zoals 'de mythe van het Subjectivisme' (Lakoff en Johnson 1980, zie ook noot 17 hieronder) en het absurde idee van Nietzsche dat alle kennis metaforisch zou zijn (Lakoff en Turner 1989: 133-135). Ze noemen vier redenen waarom de invloed van metaforen niet absoluut is.(13) In de eerste plaats is een metafoor zoals gezegd slechts een gedeeltelijke projectie. Een bepaald concept kan heel goed in sommige opzichten metaforisch begrepen worden, maar niet-metaforisch in andere opzichten. We nemen bijvoorbeeld het uiterlijk van een hond direct waar, maar het karakter wordt gewoonlijk begrepen door menselijke trekken, zoals 'trouw', toe te dichten aan wat in feite instinctief gedrag is (Lakoff en Turner 1989: 57-59). In de tweede plaats bestaan er wel degelijk zogenaamde semantically autonomous of (directly) emergent concepts: concepten die rechtstreeks uit de ervaring afgeleid worden. Fundamentele ruimtelijke of materiële concepten zoals de verticale oriëntatie behoren volledig tot deze categorie, maar verder zijn de meeste concepten zoals gezegd gedeeltelijk op directe, niet-metaforische ervaringskennis gebaseerd. In de derde plaats zijn het juist deze semantisch autonome, relatief concrete en helder omlijnde concepten die de brondomeinen van metaforen vormen: "The source domain of a metaphor is characterized in terms of concepts (or aspects of concepts) that are semantically autonomous. / -In this sense, metaphorical understanding is grounded in semantically autonomous conceptual structure" (Lakoff en Turner 1989: 113). Er is dus geen sprake van een 'différance', een eindeloze verwijzing van betekenis naar betekenis, zoals de post-structuralisten zich voorstellen. In de vierde plaats zijn taaluitingen of gedachten niet metaforischer dan de handelingen waarop ze betrekking hebben. De metaforen ARGUMENT IS WAR en LABOUR IS A RESOURCE geven bijvoorbeeld opvattingen weer die in onze cultuur, soms onbewust, als werkelijkheid ervaren worden.

Deze vier argumenten tegen het relativisme maken allemaal deel uit van het kernbegrip grounding, dat wil zeggen: de worteling in de ervaring. Onder de noemer Grounding Hypothesis voeren Lakoff en Turner (1989: 112-114) dit aan als argument tegen het tegenovergestelde van relativisme, namelijk de opvatting dat letterlijke taal direct verwijst naar een objectieve, van zichzelf geordende realiteit, onafhankelijk van cultuur, cognitie of ervaring. Uiteraard is grounding nauw verwant aan de eerder behandelde ervaringsgrond (experiential basis). Dat is een formelere toepassing van hetzelfde idee op het niveau van individuele metaforen.

Hoewel er dus geen reden is om Lakoff, Johnson en Turner onwetenschappelijke opvattingen te verwijten, kan men ook als men het belang van de ervaring accepteert, twisten over het relatieve belang van de factoren die de ervaring sturen: de cognitie, de werkelijkheid en de cultuur. Het lijkt erop dat zij het belang van de cultuur overschatten. De kritische Stienstra (1993: 194) lijkt mij iets te toegeeflijk als ze zegt: "[I]t is, of course, true that every experience takes place within a particular culture, for the simple reason that we ... cannot exist in a cultural vacuum". De bewering: "Every experience takes place within a vast background of cultural presuppositions" (Lakoff en Johnson 1980: 57, mijn cursivering) bevat volgens mij een misleidende metafoor, te weten CULTUUR <- CONTAINER, en de impliciete aanname 'bevatten betekent bepalen'. We hebben vrijwel altijd niet-culturele en culturele ervaringen tegelijk. Als u per ongeluk met een hamer op uw duim slaat, voert u een culturele handeling uit met een cultureel instrument. Maar de pijn is daardoor niet minder universeel (trouwens, de handeling van het timmeren is probleemloos te begrijpen binnen elke menselijke cultuur). Het concept 'pijn' zal per cultuur verschillend ingevuld worden, maar dit moet onderscheiden worden van de lichamelijke ervaring.(14) Het onderscheid is essentieel om de combinatie van grounding en invloed van metaforen op de cultuur staande te houden. Immers, hoe kan de cultuur grotendeels door metaforen bepaald worden als die metaforen niet teruggaan op niet-culturele ervaringen? Dit blijft echter een gradueel verschil van mening; er is niets mis met de volgende stelling van Lakoff en Johnson: "Cultural assumptions, values, and attitudes are not a conceptual overlay which we may or may not place upon experience as we choose" (ibidem).

Verder is het een empirisch vraagstuk in hoeverre er een beperkte mate van conceptueel determinisme bestaat. De invloed van conventionele metaforen is geen kwestie van dwang maar van voorkeur. Conventioneel denken gaat veel gemakkelijker dan onconventioneel denken. Daarom is het voor de gehele cultuur belangrijk dat originele, literaire metaforen alternatieve denkwijzen aanbieden.

Overigens wordt er natuurlijk niet beweerd dat elke conventionele metafoor een belangrijke conceptuele rol speelt. Lakoff en Johnson (1980: 18) merken bijvoorbeeld op dat HAPPY IS UP veel minder noodzakelijk is om het doeldomein te begrijpen dan HIGH STATUS IS UP; die metafoor is pleonastisch geformuleerd omdat er geen andere gangbare term voor 'hoge status' bestaat. Lakoff en Turner (1989: 55-56) onderscheiden "basicness" ofwel "conceptual indispensability" uitdrukkelijk van zowel conceptuele als talige conventionaliteit (respectievelijk de mate waarin een gehele cultuur een metafoor automatisch, zonder inspanning begrijpt en de mate waarin een metafoor ten grondslag ligt aan een groep uitdrukkingen in het alledaagse taalgebruik).

Tenslotte blijkt uit de toepassing van de theorie in een soort ideologiekritiek nog eens dat het afwijzen van een 'objectivistische' taalfilosofie niet tot relativisme hoeft te leiden. Lakoff (1992) opent overdonderend met de bewering: "Metaphors can kill". Oppervlakkig beschouwd lijkt dat het toppunt van conceptueel determinisme. Maar de strekking van zijn betoog is juist dat we door ons bewust te worden van conventionele en retorische metaforen, en de mogelijke alternatieven, een beter beeld zouden krijgen van een politieke afweging, in dit geval het debat voorafgaand aan de Golfoorlog.


Empirische toetsing

Lakoff (1993: 205) noemt vijf soorten empirisch bewijs voor de CMT:

Generalizations governing polysemy, that is, the use of words with a number of related meanings;
Generalizations governing inference patterns, that is, cases where a pattern of inferences from one conceptual domain is used in another domain;
Generalizations governing novel metaphorical language (see Lakoff & Turner, 1989);
Generalizations governing patterns of semantic change (see Sweetser, 1990);
Psycholinguistic experiments [zie Gibbs 1994 - EdB].

Ze zullen hier in dezelfde volgorde behandeld worden. De eerste drie soorten zijn in het voorgaande al ter sprake gekomen, maar dienen nog expliciet beoordeeld te worden.


Polysemie

Het bewijs op grond van polysemiepatronen is omstreden. Steen (1994: 16-22) werpt tegen dat niet bewezen is dat conceptuele metaforen geactiveerd worden bij het begrijpen van conventionele uitdrukkingen door individuele personen. Hij geeft de voorkeur aan de traditionele opvatting dat conventionele metaforen onthouden worden via individuele polysemie, ofwel lexicalisering; dat wil zeggen dat de metaforische betekenis per woord als een bijbetekenis vastgelegd wordt. Impliciet lijkt hij aan te nemen dat lexicalisering geen bewijs behoeft, omdat het altijd een algemeen geaccepteerde verklaring is geweest. Het zou een eenvoudiger verklaring zijn voor het snelle begrip van conventionele metaforen. Maar er is geen reden om te veronderstellen dat het herkennen van een conceptuele analogie langer zou moeten duren dan het selecteren van een woordbetekenis op grond van de context uit een ongesorteerde reeks van tientallen, of (bij woorden als "in" en "over") zelfs honderden betekenisnuances. En voor de opslag in het lange-termijn-geheugen zouden conceptuele metaforen ongetwijfeld veel efficiënter zijn.

Nu sluiten de twee verklaringen elkaar niet helemaal uit. Wellicht worden conventionele metaforen snel en met zekerheid begrepen omdat er twee of meer processen (tegelijk) uitgevoerd kunnen worden (redundantie). Lakoff en Johnson erkennen zonder zoveel woorden dat geïsoleerde metaforische uitdrukkingen, zoals de voet van een berg of een tafelpoot gelexicaliseerd zullen zijn: "If any metaphorical expressions deserve to be called 'dead', it is these, though they do have a bare spark of life..." (1980: 55).(15) Van zijn kant erkent Steen dat er weliswaar geen actieve constructie van een conceptuele analogie, maar wel de herkenning (retrieval) van een reeds in het geheugen aanwezige analogie voorkomt bij de verwerking van sommige conventionele metaforen. Dat idee is te verenigen met de CMT. Maar het is niet terecht dat hij een streng onderscheid maakt tussen constructie en herkenning. Hij maakt de klassieke denkfout die Lakoff en Turner toeschrijven aan de voorstanders van de Dead Metaphor Theory: "[I]t assumes that those things in our cognition that are most alive and most active are those that are conscious. On the contrary, those that are most alive and most deeply entrenched, efficient, and powerful are those that are so automatic as to be unconscious and effortless" (1989: 129). De levendigheid van conventionele metaforen blijkt uit het bewijs op grond van inferentiepatronen en metaforische taalvernieuwing. Een analogie die opgeroepen wordt kan ook veranderd of uitgebreid worden, zonder dat ze helemaal opnieuw 'uitgerekend' hoeft te worden.

Bovendien roept individuele polysemie de vraag op wat voor soort metaforische betekenissen er dan onthouden worden. Als ze zorgt voor een snel begrip van metaforen, zou men verwachten dat die betekenissen bestaan uit een klein aantal concepten of kenmerken, die helder uitgedrukt zouden kunnen worden in een enkel woord of een korte omschrijving. Welnu, als dat werkelijk het geval was, dan zouden onze woordenboeken aanmerkelijk dunner zijn. Het tegendeel is namelijk waar: talrijke concepten zijn alleen door middel van metaforen te omschrijven. Waar haalt men dan de zekerheid vandaan dat ze wel zonder metaforen begrepen kunnen worden?

Steen (1994) maakt verder erg veel werk van het algemene bezwaar dat taalkundige observaties niet rechtstreeks inzicht geven in de verwerking van metaforen door het individu. De studie van taalmateriaal en teksten zegt alleen iets over een sociaal verschijnsel dat geen psychische realiteit hoeft te weerspiegelen. In principe is Lakoff - zoals Steen benadrukt - het van harte eens met dit bezwaar. Geen wonder, want dit is een belangrijk argument van de cognitieve tegen de generatieve taalkunde. Maar toch zal er niet gauw onderzoek gedaan worden naar 'de conventionele metaforen van Jan de Jong'; ook in de psycholinguïstiek werkt men liever met gemiddelden dan met case-studies en niet slechts omwille van de betrouwbaarheid. Juist gedeelde kennis en gedeelde vaardigheden zijn immers beslissend voor communicatie. Bij sommige aspecten van taal, bijvoorbeeld de woordenschat, is er meer variatie mogelijk dan bij andere. Het lijkt erop dat metaforische kennis juist relatief uniform is, want de verschillen in metaforen tussen de moderne West-Europese talen zijn op het conceptuele niveau marginaal, wat moeilijk valt te rijmen met grote verschillen tussen individuën. Uit onderzoek blijkt dat er zelfs bij originele metaforen weinig verschil in interpretatie voorkomt (zie p. 124). We mogen dus veronderstellen dat metaforen zoals COMMUNICATIE <- TRANSPORT, TOESTAND <- PLAATS en AANTAL <- HOOGTE, die onmisbaar zijn om onze cultuur te begrijpen, evengoed onmisbaar zijn om er aan deel te nemen. Natuurlijk is onderzoek naar de mate van variatie tussen personen wenselijk, maar het zal moeilijk uit te voeren zijn. Zolang er geen effectieve vorm van telepathie beschikbaar is, zal ook psychologisch metafooronderzoek met validiteitsproblemen blijven kampen. Steen vat die in zijn eigen werk te licht op, aangezien hij zogenaamde 'hardopdenk-protocollen' gebruikt om de onbewuste verwerking van metaforen te onderzoeken (zie ook Verdaasdonk 1993).


Taalkundig onderzoek

Het effect van conventionele metaforen op inferentiepatronen blijkt niet alleen uit taalkundige observatie en speculatie zoals in het onderzoek van Reddy (1979) naar de transportmetafoor. Gentner en Gentner (1983) hebben experimenteel bewezen dat mensen op verschillende manieren over elektriciteit redeneren, afhankelijk van de metaforen die ze gebruiken om elektriciteit te begrijpen.

Metaforische taalvernieuwing in de literatuur laat zoals gezegd zien dat conventionele metaforen springlevend zijn, omdat ze voortdurend worden gecombineerd, bekritiseerd, uitgewerkt en uitgebreid. Misschien zou het interessant zijn om te meten hoe vaak zulke variaties voorkomen in verhouding tot geheel nieuwe metaforen, maar dat ze vaak voorkomen is al genoeg om het idee dat conventionele metaforen 'dood' zijn te ontkrachten.

Naast de historische semantiek van Sweetser (1994) is er interessant taalkundig onderzoek gedaan door Mühlhäusler (1985); een andere cognitieve maar niet experimentele benadering is de methode van de kunstmatige intelligentie zoals toegepast door Martin (1992).

Sweetser (1994: 28-48) toont aan dat uiteenlopende etymologische ontwikkelingen berusten op de werking van de metafoor GEEST <- LICHAAM, de Mind-as-Body Metaphor. Deze verklaart onder meer dat woorden voor 'horen' de betekenis 'gehoorzamen' krijgen, dat 'vasthouden' verandert in 'begrijpen', 'gelijkenis' in 'waarschijnlijkheid' en 'langs elke weg' in 'hoe dan ook' (Eng. anyway en It. tuttavia). Meer voorbeelden volgen in § 2.1. Ze concludeert dat, vooral door middel van conceptuele metaforen, semantische veranderingen in principe even goed verklaard kunnen worden als fonologische, al zal de semantische verklaring complexer zijn en al is er op geen van beide gebieden genoeg regelmaat om voorspellingen te doen.

Terwijl Sweetser zich concentreert op de Indo-Europese etymologie, toont Mühlhäusler (1985) aan dat de metaforische verandering, met name uitbreiding, van woordbetekenissen ook dominant is in het hedendaagse Pidgin van Papua Nieuw-Guinea. Hij vindt dit een veelbetekenende bron, omdat het een bijzonder 'natuurlijke' taal is, die nog jong is en tot nog toe nauwelijks beïnvloed door verschriftelijking en standaardiseringsregels.

Onderzoek in het kader van de kunstmatige intelligentie kan geen bewijs leveren voor de psychische realiteit van een theoretisch model, maar kan wel in detail demonstreren of dat in staat is de betreffende taak te besturen. Martin (1992) weet aannemelijk te maken dat een conceptuele simulatie van het metafoorbegrip zowel efficiënter als effectiever is dan andere benaderingen. Helaas ken ik echter geen vergelijkende proef van programma's voor het interpreteren van metaforen. Martins Metaphor Interpretation, Denotation and Acquisition System (MIDAS) is een propositioneel netwerk gebaseerd op Lakoff en Johnson (1980); het zal veel moeilijker worden om image schemas in een computermodel te verwerken, hoewel men misschien kan aansluiten bij recente vindingen op het gebied van visuele patroonherkenning, zoals het herkennen van gezichten.


Psycholinguïstisch onderzoek

De experimentele toetsing in de psycholinguïstiek vertoont een tweeslachtig beeld: er bestaat een indrukwekkende hoeveelheid metafooronderzoek, maar uit veel experimenten zijn geen duidelijke theoretische conclusies te trekken (zie Hoffman en Kemper 1987) en de CMT is nog nauwelijks rechtstreeks getoetst in speciaal daarvoor opgezette experimenten.

Het is ook niet eenvoudig om een valide opzet te vinden voor onderzoek naar de verwerking van conceptuele metaforen. Glucksberg en Keysar (1990: 15) verschaffen onbedoeld een uitstekend voorbeeld van hoe het niet moet. In een informeel onderzoekje vroegen ze aan 18 personen wat de uitspraak "A lifetime is a day" in een gesprek zou kunnen betekenen. 'Slechts 25%' (dus vier-en-een-halve persoon) gaf een antwoord dat wees op een uitgebreide conceptuele analogie. Eigenlijk is dat nog verrassend veel. De meesten reageerden natuurlijk in de zin van 'Het leven is kort', wat veruit de meest prominente betekenis is. Zelfs als er een minder dubbelzinnige uitspraak voorgelegd was, was deze aanpak nog radicaal verkeerd geweest. Hadden Glucksberg en Keysar Metaphors We Live By (Lakoff en Johnson 1980) met de ogen open gelezen, dan hadden ze beseft dat volgens de CMT de bewuste interpretatie van de uitspraak "A lifetime is a day" niet gelijk gesteld mag worden aan de onbewuste verwerking van de conventionele conceptuele metafoor die toevallig door middel van de zin A LIFETIME IS A DAY wordt genoteerd maar in wezen een analogie is.(16) Een dergelijke directe enquête heeft eigenlijk geen enkele zin, maar als men al zoiets wil doen, zou men moeten vragen wat voor verband de proefpersonen zien tussen uitdrukkingen als levensavond en de dageraad van mijn bestaan en vervolgens nagaan of dat verband een voldoende uitgebreide conceptuele analogie is - hoewel de keuze voor deze conceptuele metafoor ook al evenmin terecht is: er zouden ook minder dichterlijke en meer basale voorbeelden voorgelegd moeten worden.

Bij gebrek aan rechtstreekse toetsing berust de bewijsvoering voornamelijk op een herinterpretatie van experimenten die voor andere doeleinden uitgevoerd zijn. Zo is de psychische realiteit van image schemas aannemelijk gemaakt door Gibbs en Colson (1995) op grond van een verscheidenheid aan bestaand onderzoek. Hieronder volgt een verkorte bewerking van het overzicht in Gibbs (1994) van onderzoek naar de metaforische vaardigheden van kinderen, een populair specialisme. Maar eerst wil ik een kort overzicht geven van onderzoek op het gebied van idiomatische uitdrukkingen, op basis van dezelfde bron. Dat onderwerp is van marginaal belang voor de metafoortheorie, maar het gaat wel voornamelijk om onderzoek van Gibbs zelf, speciaal opgezet om de CMT te toetsen.

Er wordt hier niet verwezen naar de vele oorspronkelijke publicaties. Paginanummers zonder referentie verwijzen naar Gibbs (1994). Kortheidshalve wordt het anglicisme 'idiomen' gebruikt - 'zegswijzen' is beter Nederlands, maar klinkt wel erg archaïsch.


Idiomen

Onderzoek naar idiomatische uitdrukkingen kan nauwelijks gevaar voor de CMT opleveren, want als zou blijken dat ze via individuele polysemie begrepen zouden worden, zou dat nog niets zeggen over gewone conventionele metaforische uitdrukkingen, die in taalkundig opzicht veel minder conventioneel zijn. En we mogen ervan uitgaan dat ze vaker voorkomen dan idiomen, misschien niet veel vaker in het woordenboek, maar wel in het taalgebruik, omdat ze vaker gebruikt worden. Bij de analyse van teksten in deze scriptie is het aantal idiomen niet geteld, maar het is in een oogopslag duidelijk dat ze relatief zeldzaam zijn (zie Appendix 1).

Een idioom kunnen we definiëren als een vaste woordverbinding met een vaste niet-letterlijke betekenis. Traditioneel wordt aangenomen dat idiomen ondeelbaar zijn, dat ze als geheel een willekeurige betekenis hebben, onafhankelijk van de letterlijke betekenis van de onderdelen, dat ze ook in conceptueel opzicht zeer conventioneel zijn en dus 'dode' metaforen (of andere figuren, maar die blijven hier buiten beschouwing). Al deze aannames blijken echter aantoonbaar onjuist te zijn.

Er bestaat wel degelijk origineel idioom, zoals iedereen weet die ooit heeft behoord tot een groep jongeren of een informele subcultuur, of die een slang-woordenboek heeft gelezen. Dit heeft mijns inziens een belangrijke sociale functie: het biedt aan de verbaal begaafde smaakmakers een middel om zich te onderscheiden en aan de meelopers een middel om er door imitatie bij te horen. Gibbs (1994: 265-267) vermeldt onder andere de typisch Californische neiging om voor alle handelingen en gevoelens werkwoordelijke uitdrukkingen te bedenken, met name verbindingen van werkwoorden met voorzetsels. Veel van deze idiomen kunnen tot conceptuele metaforen gerekend worden.

Verder bestaan er wel degelijk verdeelbare ("decomposable", "analyzable") idiomen. Dit gaat niet zover dat onderdelen vervangen kunnen worden door corresponderende onderdelen van idiomen met een ongeveer gelijke betekenis. Maar het is evident dat vaak de onderdelen los van elkaar bijdragen aan de figuurlijke betekenis. Het lijkt mij dat het ene onderdeel meestal aanmerkelijk metaforischer is dan het andere. Zo staat de boot in de boot missen voor 'een kans' en missen voor een ander, abstract soort 'missen'. Mensen blijken het in grote lijnen eens te zijn over welke idiomen verdeelbaar zijn en welke onverdeelbaar, hoewel het een gradueel verschil is (278-280).

De verdeelbare idiomen zijn syntactisch variabel: veel beter dan de onverdeelbare kunnen ze bijvoorbeeld in de passieve vorm omgezet worden, zonder dat proefpersonen vinden dat de gelijkenis met een parafrase minder is (280-282). Er zijn ook varianten met een ander woord mogelijk, die goed begrepen worden, zeker als het een variant van een bekend idioom is. Zo is shatter the ice in zwang geraakt als overtreffende trap van break the ice (283-284).

Originele idiomen maken een bijzonder beeldende indruk omdat ze nieuw zijn (266). Maar zelfs in onverdeelbare idiomen waarin de oorspronkelijke betekenis niet meer herkenbaar is ziet men gewoonlijk nog wel een bepaalde voorstelling, bijvoorbeeld een galgscène bij kick the bucket (volksetymologie). De betekenis is niet willekeurig en daarom ook niet helemaal gefixeerd: sommige mensen denken in dit geval niet zomaar aan 'doodgaan' maar aan een snelle dood (276-277).

Proefpersonen beschreven desgevraagd gedetailleerde zintuiglijke voorstellingen van verdeelbare uitdrukkingen als spill the beans, blow your stack en lay down the law. Tegelijk waren de beschrijvingen consistent, veel meer dan beschrijvingen van vergelijkbare letterlijke uitdrukkingen. Dit betekent niet dat men normaliter gedetailleerde beelden vormt om idiomen te verwerken, maar wel dat idiomen gemotiveerd worden door conceptuele metaforen - die bovendien de coherentie tussen verdeelbare idiomen verklaren. Zo worden onder andere blow your stack, flip your lid, get steamed up en zelfs hit the ceiling gemotiveerd door de metafoor ANGER IS HEATED FLUID IN A CONTAINER (290-295). Een eerste onderzoek naar de vraag of de metafoor ook geactiveerd wordt wanneer iemand een bijbehorend idioom begrijpt, leverde een bevestigende uitkomst op. In een woordherkenningstaak werden woorden die de metafoor vertegenwoordigden, in dit geval heat, relatief snel herkend als geldig woord.

Idiomen die metaforisch coherent zijn met de voorafgaande context worden hoger gewaardeerd dan andere (302). Uit experimenten met verschillende contexten blijkt tevens dat aan een idioom een andere, meer specifieke betekenis gehecht wordt dan aan een eenvoudige parafrase, zoals reveal the secret voor spill the beans (303-306).

Er is hier geen ruimte om het onderzoek naar idiomen bij kinderen uitgebreid samen te vatten, maar dit bevestigt de bovengenoemde resultaten. "Developmental research demonstrates that children's comprehension of idioms depends on their intuitions about the internal semantics of these phrases" (289). Verdeelbare idiomen begrijpen kinderen veel beter dan onverdeelbare, terwijl de welgevormdheid van de letterlijke betekenis geen rol speelt.


Het metafoorbegrip van kinderen

Onderzoek in het kader van de ontwikkelingspsychologie (Gibbs 1994: 399-417) leert dat kinderen van jongs af aan een zekere metaforische vaardigheid bezitten. Dit wordt door de CMT voorspeld, terwijl het in tegenspraak is met de traditionele opvatting dat eerst het letterlijke begrip voldoende ontwikkeld dient te worden. Overigens neemt de CMT niet aan dat het metafoorbegrip op een aangeboren competentie berust. De eerste metaforische gedachten ontstaan volgens Gibbs langzamerhand uit telkens herhaalde ervaringen, dus uit een wisselwerking van cognitie en omgeving. Het proberen te lopen wekt bijvoorbeeld de metafoor FALEN <- VALLEN op (415).

Jonge kinderen doen vaak uitspraken die we als metaforen kunnen opvatten. Dat hoeft echter niet altijd hun bedoeling te zijn. Soms zal er eerder sprake zijn van 'overextensie': het kind heeft niet de intentie om verschillende domeinen in verband te brengen, maar heeft gewoon nog niet geleerd dat het verschillende domeinen zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanduidingen "hond" voor een paard, of "gras" voor een groen tapijt. Maar er komen genoeg uitspraken voor waarbij de domeinen duidelijk verschillend zijn, bijvoorbeeld de aanduiding een slang voor een meanderende rivier. Kinderen van de schoolgaande leeftijd gebruiken spontaan metaforen als ze gevraagd worden gedichten te schrijven (399-404).

Met de receptie van metaforen hebben kleuters evenmin moeite als met de productie. Dit blijkt onder andere uit het metaforische karakter van succesvolle onderwijsmethoden, maar natuurlijk ook uit hun belangstelling voor sprookjes. Wie er stil bij staat, zal beseffen dat het een hele prestatie is dat ze sprookjesverhalen als impliciete metaforen voor hun eigen zorgen weten te begrijpen (399-402).

De CMT impliceert dat metaforisch denken al mogelijk is voordat het kind een taal beheerst. Het bewijs voor dat idee is verrassend sterk als we afgaan op de vaardigheid om abstracte synesthetische verbanden te leggen. Experimenten waarin oogbewegingen werden geregistreerd als aanwijzingen voor aandacht leverden bijvoorbeeld op dat zuigelingen van zeven tot twaalf maanden relatief lang keken naar zowel een omhoogwijzende pijl als een gezicht met een blije uitdrukking wanneer ze tegelijk een stijgende toonladder hoorden (412-413).

Verder bleek uit verscheidene experimenten dat kleuters metaforen uit hetzelfde algemene domein even goed begrepen. Animaties van dingen worden bijvoorbeeld op jongere leeftijd begrepen dan de metafoor GEESTELIJK <- LICHAMELIJK. Dit wijst er op dat metaforen niet per woord maar per domein worden aangeleerd. Bovendien zijn ze in staat om metaforen te begrijpen zoals het hoort, namelijk als een gedeeltelijke en asymmetrische betekenisoverdracht, hoewel ze niet alle verschillen tussen bron- en doeldomein zullen herkennen (411-412).

Een ander experiment gebruikte de correcte herhaling van zinnen door kinderen als een aanwijzing voor begrip, omdat uitspraken die begrepen worden beter worden onthouden. Volgens dit criterium begrepen drie- tot vijfjarigen metaforen al even goed als letterlijke uitspraken en beter dan semantische anomalieën (408). Maar volgens mij is het mogelijk dat ze de metaforische uitspraken letterlijk opvatten bij gebrek aan wereldkennis en doordat ze nog geen scherp onderscheid maakten tussen realiteit en fantasie.

Een vaardigheid die jonge kinderen wel in zekere mate bezitten maar niet goed weten te benutten is het waarnemen van analogie. "Young children find metaphors based on physical or perceptual similarities easier to understand than metaphors based on abstract or complex relations" (408). De verklaring is waarschijnlijk dat hun kennis nogal oppervlakkig is: "The perceptual properties of objects appear more salient for children and in many cases constitute most of their knowledge of objects" (408-409).

Een ander experiment wees uit dat kinderen vanaf vier jaar een zeker onderscheid wisten te maken tussen letterlijke en metaforische similariteit. In een categorisatie als "Rain is the same kind of thing as X" vulden ze op de plaats van X eerder een letterlijk ("snow") dan een metaforisch equivalent ("tears") in. Bij een vergelijkende formulering als "Rain is like X", die ook een metaforische interpretatie toeliet, was er geen verschil. Driejarigen hadden nog geen voorkeur bij de categorisatietaak (404-405). Deze vaardigheid treedt dus waarschijnlijk later en zeker niet eerder op dan het begrijpen van metaforen, zodat er geen reden is om vast te houden aan de traditionele opvatting dat het herkennen en begrijpen van een metafoor voorafgegaan wordt door het besef dat een uitspraak letterlijk onwaar is en toch zinvol. Die opvatting staat ook op gespannen voet met het feit dat sommige metaforen wel en andere niet begrepen worden, afhankelijk van het semantisch domein en de hoeveelheid contextuele informatie.

Het is wel waar dat kinderen jonger dan tien tot veertien jaar bepaalde metaforen niet kunnen uitleggen of parafraseren. Verder zijn ze erg afhankelijk van contextuele aanwijzingen, die in experimenten vaak ontbreken. Maar deze problemen volgen uit een tekort aan kennis en algemene cognitieve en talige vaardigheden, niet uit een gebrekkig metafoorbegrip (407-408).


Het tweestappenmodel

In aanvulling op bovenstaande positieve bewijsvoering wil ik nog een empirische kwestie in negatieve zin aan de orde stellen, in de vorm van een weerlegging van het tweestappenmodel (two-stage model). Dat model houdt in dat een metaforische uitdrukking pas als metafoor herkend wordt nadat de lezer tevergeefs heeft geprobeerd een letterlijke interpretatie te vormen. Volgens de CMT is dat absoluut niet nodig, omdat men direct een toepassing van een conceptuele metafoor kan herkennen.

Dit model komt, soms impliciet, in diverse benaderingen voor en was in de jaren '70 nog gangbaar in de psycholinguïstiek. Een bekende moderne versie is de pragmatiek van Searle (1979), die in het metafoorbegrip een vergelijkbaar proces ziet als in het begrijpen van een indirect verzoek. Een curieuze maar consequente variant is de theorie van Davidson (1979). Volgens hem heeft een metafoor geen andere betekenis dan de letterlijke betekenis van de uitdrukking. Als tweede stap zou men niets dan een vage, ongrijpbare, eindeloos uitbreidbare verzameling van associaties ervaren.

Hoffman en Kemper (1987) analyseerden een honderdtal experimenten waarin het tweestappenmodel getoetst werd met behulp van reactietijdmetingen. Ze ontdekten dat het model in de bestaande vorm niet toetsbaar is volgens die methode. Een speciaal metaforisch begripsproces zou ook parallel aan het letterlijk begrip uitgevoerd kunnen worden; anderzijds zijn er alternatieve verklaringen denkbaar voor een lange reactietijd, zoals complexiteit, meerduidigheid of interesse. Maar toch trekken ze duidelijke conclusies:

It is now fairly clear that people are biased to comprehend the nonliteral meanings of indirect requests, idioms, and conventional metaphorical comparisons. Nonliteral meaning can be compelling and immediately accessed. Novel poetic metaphors may also be comprehended very rapidly if they are sufficiently supported by contextual information (Hoffman en Kemper 1987: 175).

Zoals hierboven opgemerkt levert het onderzoek naar de metaforische competentie van kinderen ook al duidelijke bewijzen tegen het tweestappenmodel. Bovendien levert observatie al voldoende feiten op om het te verwerpen.

Zo worden uitspraken van het type McEnroe killed Connors als metaforen herkend door iedereen die weet dat het over tennissers gaat, of over sport in het algemeen, zonder dat de luisteraar hoeft te horen dat een letterlijke interpretatie niet geldig is (Martin 1992). Daarom bestaat er ook de gewoonte om de conventionele metaforische betekenis van een uitdrukking te ontkennen als alleen de letterlijke betekenis toepasselijk is. Bijvoorbeeld door de kwalificatie 'letterlijk' in een zin als "De dronken passagier viel letterlijk uit de boot".(17)

Verder is het concept 'letterlijke betekenis' in het algemeen nogal problematisch (zie ook § 2.2 en Rumelhart 1979). Lakoff c.s. leggen nogal veel nadruk op fundamentele filosofische bezwaren tegen dit concept.(18) Lakoff (1987) gaat bijvoorbeeld uitvoerig in op de evolutiebiologie, die aantoont dat er geen afgebakende planten en diersoorten bestaan, om te bewijzen dat er geen natuurlijke categorieën bestaan die onafhankelijk zijn van culturele keuzes en metaforische relaties. Dat is een interessante excursie, maar de taalkundige kan in het eigen vakgebied eenvoudiger en overtuigender argumenten vinden.

Concluderend kunnen we vaststellen dat conceptuele metafoortheorie in grote lijnen ondersteund wordt door empirisch onderzoek, hoewel er nog te weinig onderzoek verricht is om van een bevestiging te kunnen spreken.



© Edwin den Boer 1998

Terug naar boven   Naar volgende onderdeel: Conclusie   Overzicht Metafooronderzoek   Welkomstpagina