Over de karakteristieken van originele metaforen kunnen we hier relatief kort zijn. De behandeling hiervan door Lakoff en Turner (1989) is heel informatief voor de interpretatie van literaire teksten, maar niet voor het uiteindelijke doel van deze scriptie, namelijk het meten van gradaties van originaliteit, als onderdeel van het meten van de metaforiciteit van teksten. In § 2.2 en § 3.1 zal een speciaal daarop afgestemde methode voorgesteld worden. Maar de eigenschappen nieuwheid, complexiteit en beeldendheid, die ik als criteria zal aannemen, komen in andere vormen ook bij hen voor.
Lakoff en Turner spreken niet over 'originele' metaforen, maar over 'poëtische',
'onconventionele' of 'nieuwe' metaforen (novel metaphor(s)). Daarmee bedoelen ze
echter niet dat deze alleen in poëzie zouden voorkomen, of dat nieuwheid het enige
criterium zou zijn. Juist de continuïteit tussen conventionele en originele metaforiek
wordt benadrukt: "Poetic thought uses the mechanisms of everyday thought, but it
extends them, elaborates them and combines them in ways that go beyond theordinary" (Lakoff en Turner 1989: 67). Hieruit volgt dat literaire metaforen een
belangrijke maatschappelijke functie hebben, namelijk het vernieuwen van het
gedachtengoed van een cultuur, zodat er woorden gevonden worden voor
onbekende zaken en zodat men afstand kan nemen van de denkwijzen die door
conventionele metaforen bevorderd worden.
Lakoff en Turner (1989) beschrijven vier ongewone mechanismen (technieken, procédés, strategieën) die poëtische metaforen kunnen opleveren. De drie belangrijkste zijn in het bovenstaande citaat al aangeduid. Het aspect 'nieuwheid' komt op twee verschillende manieren naar voren in de mechanismen uitbreiding (extending) en uitwerking (elaborating). Uitbreiding betekent dat er een nieuw betekeniselement toegevoegd wordt aan de betekenisoverdracht in een bestaande conventionele metafoor, die zoals gezegd altijd gedeeltelijk is. Zo breidt Shakespeare in Hamlets monoloog de gewone metafoor DOOD <- SLAAP uit met het element 'dromen':
Bij de uitwerking van een metafoor wijkt men op een andere manier af, namelijk: "by filling in slots in unusual ways rather than by extending the metaphor to map additional slots" (Lakoff en Turner 1989: 67). Beide mechanismen worden gecombineerd in een bekend gedicht van Emily Dickinson. Zij breidt de conventionele metafoor DOOD <- HEENGAAN uit met een bestemming en vult die in als haar thuis:
Lakoff en Johnson (1980: 53) vermelden vergelijkbare mechanismen, maar ze geven er geen naam aan. Uit hun bespreking van nieuwe metaforen zou men kunnen afleiden dat de uitbreiding als origineler beoordeeld moet worden dan de uitwerking. Maar dat zou niet juist zijn. Een uitwerking is vaak zo specifiek en beeldend, dat ze minstens evenveel metaforische informatie biedt als een uitbreiding. De uitwerking van Dickinson hierboven is zeker origineler dan de uitbreiding met een bestemming, die in tal van religieuze teksten door de eeuwen heen voorkomt. Dat geeft tevens aan dat het niet zo gemakkelijk is om vast te stellen wat nu eigenlijk tot het gebruikte deel van een metafoor behoort. Een ander praktisch probleem voor gebruik in een tekstanalyse zou zijn dat verschillende mechanismen blijkbaar in een enkele metafoor gecombineerd kunnen worden.
Het mechanisme van questioning, kritiek op metaforen, komt ook samen met andere voor. Het is bijvoorbeeld duidelijk aanwezig in het bovenstaande voorbeeld van uitbreiding uit Hamlet. Bovendien is het de vraag of dit wel een conceptuele categorie is en niet een attitude die aangenomen kan worden bij allerlei vormen van metaforiek.
Het vierde mechanisme, de compositie (composing), het combineren van conceptuele metaforen, is misschien wel het belangrijkste. De meester van dit procédé is natuurlijk Shakespeare. Het komt slechts gedeeltelijk overeen met wat ik 'complexe metaforen' zal noemen. Het verschil is dat Lakoff en Turner doelen op het gelijktijdige gebruik van twee of meer conventionele metaforen voor hetzelfde doeldomein "in the same passage, or even in the same sentence" (1989: 70). Dat lijkt een nogal ruime formulering, die ook gewone, onbeduidende nevenschikkingen in niet-literaire teksten zal omvatten. Bij een 'complexe metafoor' daarentegen gaat het om een enkele metaforische relatie, ontleend aan een uitdrukking van hooguit een zin lang. Zo'n metafoor wordt complex genoemd als ze uitdrukkelijk verscheidene duidelijk verschillende eigenschappen overdraagt.
In theorie is het wel een aantrekkelijk idee om metaforiciteit te meten door
simpelweg het aantal conceptuele metaforen te tellen dat men redelijkerwijs in de
tekst kan lezen. Dat zou echter teveel nadruk leggen op de complexiteit. En er
zouden operationele problemen optreden, zoals de moeilijkheid om te bepalen wat
een enkele, ondeelbare metafoor is.
Naast deze vier mechanismen bespreken Lakoff en Turner (1989) nog drie vormen van originele metaforen: de algemene metafoor GENERIC IS SPECIFIC, idiosyncratische metaforen en beeldmetaforen.
De invullingen van GENERIC IS SPECIFIC (Lakoff en Turner 1989: 162-166) zijn vaak niet bijzonder origineel, maar het is wel de meest algemene metafoor die men zich kan bedenken(11), zodat ze open staat voor uiteenlopende invullingen. Aan deze metafoor en de conventie dat spreekwoorden over mensen gaan (en natuurlijk het letterlijke begrip van de uitdrukking), heeft men genoeg om elk metaforisch spreekwoord te begrijpen. Dat geldt dus ook voor onbekende spreekwoorden uit een vreemde cultuur. Het Aziatische spreekwoord Blind / blames the ditch wordt bijvoorbeeld als volgt begrepen. Eerst wordt een overdrachtelijke betekenis gevormd door de algemene structuur (generic-level structure) van het brondomein over te nemen. In dit geval bestaat die uit een viertal onderdelen:
Deze betekenis kan men vervolgens toepassen op een specifieke situatie waaraan dezelfde algemene structuur toegekend kan worden, gewoon door het spreekwoord uit te spreken in de betreffende context. De specifieke toepassing zou bijvoorbeeld een politicus kunnen zijn, die de pers de schuld geeft voor een daling van zijn populariteit, nadat hij zelf een overtreding heeft begaan.
Idiosyncratische metaforen vormen de meest nadrukkelijke afwijking van het conventionele denken. Het metafoorbegrip is een regelgestuurd begripsproces, gebonden aan bepaalde beperkingen, maar juist daarom is het een uitdaging voor avantgardistische dichters om zo ver mogelijk te gaan in het verbinden van ongerelateerde, verschillend gestructureerde domeinen. Het zal vaak moeilijk zijn om een metaforische analogie te vormen op basis van idiosyncratische verbindingen, maar toch zal de lezer een overdrachtelijke betekenis zoeken in zulke uitdrukkingen. Hieronder volgt nog een voorbeeld van een idiosyncratische beeldmetafoor.
Onder image metaphors verstaan Lakoff en Turner metaforen waarin het brondomein bestaat uit een specifieke zintuiglijke (meestal visuele) voorstelling met meer detail dan een image-schema. Hier wordt de term 'beeldmetaforen' echter gereserveerd voor de meest kenmerkende soort, waarbij het doeldomein van zichzelf al beeldend is. Deze is theoretisch bijzonder interessant als uitdaging voor een conceptuele theorie (zie Crisp 1996), zeker in verband met de concretiserings-hypothese. De originaliteit van beeldmetaforen wordt nader besproken op p. 107. In verband met de CMT is het vooral van belang dat ze begrepen kunnen worden via image schemas.
Lakoff en Turner (1989: 93) citeren een treffend voorbeeld van beeldende metaforiek: een fragment uit een (tamelijk slordige) vertaling van André Bretons surrealistische liefdesgedicht L'Union Libre. Hier volgt hetzelfde gedeelte (de eerste acht regels) geciteerd uit het origineel, plus de twee daarop volgende regels:
De derde regel bevat een nog vrij conventionele beeldmetafoor: een taille als een zandloper. Merk op dat de tekst niet aangeeft welk deel van de taille met welk deel van de zandloper vergeleken moet worden. Dat begrijpen we automatisch, maar wel door middel van een image-schema dat beide concepten en beide beelden gemeenschappelijk hebben; het is visueel weer te geven als de vorm: )(. In de volgende regel volgt een originele variatie op hetzelfde schema, een soort parodie: het middel van een otter wordt slank gebeten door een tijger. Daaruit volgt impliciet ook het beeld van een heftige, wanhopige beweging, wat weer iets over het karakter van de vrouw kan zeggen. Bij het volgende lichaamsdeel dat in meer dan een regel bedicht wordt herhaalt dit patroon zich. Een tong die eruit ziet als gepolijst amber en glas vormt nog een gangbare dichterlijke vrijheid. Maar direct daarop volgt een idiosyncratische metafoor (een tong als een met een dolk doorstoken hostie) die moeilijk te visualiseren is, maar wel zwanger gaat van associaties. De negende regel bevat ook een idiosyncratische combinatie, die zelfs volstrekt willekeurig schijnt te zijn gekozen. Tenslotte lijkt het gedicht door het predicaat "incroyable" commentaar te leveren op zichzelf. Variaties op dit patroon komen door het hele gedicht terug.
Door middel van image-schemas kan aan beeldmetaforen een conceptuele strekking toegekend worden: "Image-metaphors can trigger and reinforce metaphors that map conceptual knowledge and inferential structure" (1989: 92). Zo wordt in Shakespeares sonnet 73 de metafoor MENSEN <- PLANTEN (OUDERDOM <- HERFST) versterkt door de impliciete beeldmetafoor MAN <- BOOM (ARMEN <- TAKKEN):
© Edwin den Boer 1998