1.2. Cognitieve structuren





In deze paragraaf worden vijf kernpunten van de CMT behandeld, die beschrijven hoe metaforen vorm geven aan het conceptuele systeem. Het gaat om vijf punten: achtereenvolgens de vormen van coherentie tussen metaforen, de structuur van het conceptuele systeem, de structuur van metaforische concepten, de structuur van de metaforische betekenisoverdracht en het principe van 'invariantie'.


Vormen van coherentie

Er zijn verschillende vormen van coherentie en contrast tussen metaforen denkbaar. In literaire teksten kunnen ingewikkelde combinaties voorkomen. Maar er bestaan drie hoofdvormen: coherentie tussen zowel bron- als doeldomeinen, voornamelijk tussen de brondomeinen of voornamelijk tussen de doeldomeinen. In alle gevallen is het de ervaringsgrond (zie hieronder) die zowel het onstaan van de metaforen als de onderlinge verhoudingen verklaart.

Wanneer er dezelfde relaties van coherentie of contrast bestaan tussen brondomein als tussen doeldomeinen, is er sprake van één metafoor (of een metaforisch systeem, zo men wil). Een bekend voorbeeld is natuurlijk de transportmetafoor van Reddy (1979). Lakoff (1989: 111) vat deze samen in drie betekenisoverdrachten:

- Ideas are objects.
- Linguistic expressions are containers.
- Communication is sending (idea-objects in linguistic containers).

'Ideeën' en 'woorden' en 'communicatie' zijn hier de geestelijke equivalenten van de respectievelijke materiële concepten 'voorwerpen', 'verpakkingen' en 'verzenden'. De transportmetafoor is van een zo algemeen niveau, dat deze overdrachten (of de zeven categorieën die Reddy onderscheidt) ook weer beschouwd kunnen worden als metaforen die betekeniselementen overdragen.

Een formeel bijzondere, maar allesbehalve zeldzame vorm van coherentie is de opbouw van een metaforisch systeem door middel van een categorisatie van concepten in het brondomein. Het doeldomein 'tijd' bijvoorbeeld wordt in onze cultuur op drie verschillende niveaus als waardevol en manipuleerbaar voorgesteld. De metafoor TIME IS A VALUABLE COMMODITY (bv. tijd hebben) is de meest algemene; als ondersoort hiervan kennen we TIME IS A LIMITED RESOURCE (de tijd raakt op); TIME IS MONEY (het kost tijd) is daarvan weer een ondersoort (Lakoff en Johnson 1980: 9). Het laagste niveau is het meest specifiek en zal over het algemeen als het meest metaforisch worden ervaren. Metaforische systemen met deze opbouw worden aangeduid met de naam van het meest specifieke concept, in dit geval dus TIME IS MONEY. De algemenere concepten kunnen daaruit namelijk afgeleid worden.

Er bestaat geen vergelijkbaar systeem van categorisatie op grond van het doeldomein. Maar er zijn wel brondomeinen die een groot aantal doeldomeinen beschrijven. Vaak bestaat er verwantschap tussen die doeldomeinen, maar soms is het mogelijk dat die verwantschap juist door de metafoor is geschapen. Het voorbeeld bij uitstek van deze vorm van coherentie wordt gevormd door de oriëntatie-metaforen. Lakoff en Johnson (1980) beschrijven een verzameling metaforen gebaseerd op de ruimtelijke oriëntatie hoog-laag, waarbij ze voortbouwen op het werk van Nagy (1974). De verticale oriëntatie blijkt in onze cultuur een overheersende rol te spelen. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste hoogte-metaforen in het Engels, met Nederlandse uitdrukkingen als voorbeeld:


MORE IS UP; LESS IS DOWN (hoog aantal, laag inkomen).
HEALTH IS UP; SICKNESS IS DOWN (topconditie, een depressie).
CONSCIOUS IS UP; UNCONSCIOUS IS DOWN (opstaan, in slaap vallen).
LIFE IS UP; DEATH IS DOWN (opstanding, doodvallen).
HAVING CONTROL/FORCE IS UP; BEING SUBJECTED TO IT IS DOWN (hoge pieten, ondergeschikten, onder de duim houden).
HAPPY IS UP; SAD IS DOWN (de moraal opvijzelen, zich terneergedrukt voelen).
GOOD IS UP; BAD IS DOWN (opleuken, dalende kwaliteit).

Deze doeldomeinen bestaan natuurlijk allemaal uit opposities tussen een positieve en een negatieve term. Bovendien bevat deze selectie concepten die nauw verwant zijn; sommige uitdrukkingen, zoals opleven, kunnen tot uiteenlopende metaforen gerekend worden, afhankelijk van de precieze betekenis. Maar beslissend voor de coherentie is wat Lakoff en Johnson (1980) de experiental bases noemen. Deze ervaringsgronden vormen de oorspronkelijke motivatie voor het metaforische verband. Hoewel we ze alleen speculatief kunnen reconstrueren, worden ze zo belangrijk geacht dat ze eigenlijk bij elke notatie van een metafoor vermeld zouden moeten worden. De ervaringsgrond van UNCONSCIOUS IS DOWN is bijvoorbeeld dat mensen liggend slapen.

Dat de ervaringsgrond beslissend is, blijkt uit contrasterende metaforen. De typisch Engelse metafoor UNKNOWN IS UP; KNOWN IS DOWN (That's up in the air, The matter is settled) past niet in het bovenstaande rijtje metaforen waarin de positieve term als iets hoogs wordt opgevat. Dat komt doordat laagte hier ervaren wordt als nabijheid; een idee dat nabij is, is gemakkelijker te 'vatten'. Deze metafoor deelt haar ervaringsgrond namelijk wel met UNDERSTANDING IS GRASPING.

Coherentie op grond van het doeldomein heeft traditioneel weinig aandacht gekregen, omdat conventionele metaforen over het algemeen beschouwd werden als bijbetekenissen van woorden uit het brondomein. In de CMT is het juist een belangrijk aspect, dat bij uitstek toont hoe metaforen het wereldbeeld van een cultuur bepalen. Vooral contrasten zijn hier interessant. Neem het fundamentele concept 'tijd'. De tijd wordt universeel opgevat in ruimtelijke termen. Maar in sommige culturen ligt de nadruk op de ervaringsgrond dat we alleen het verleden kennen, zodat de toekomst zich achter ons bevindt en het verleden voor ons, terwijl in andere culturen, waaronder de onze, wordt 'uitgekeken' naar toekomstige gebeurtenissen en perioden, als naar dingen die dichterbij komen, zodat de toekomst zich voor ons bevindt en het verleden achter ons.

Lakoff en Turner (1989: 44-45) verklaren uit de ervaringsgrond de schijnbare inconsequenties in ons beeld van het tijdsverloop. Waarom komt het jaar 2050 voor het jaar 2100, terwijl 1950 achter ons ligt en 2000 voor ons? De oorzaak is dat we de toekomst personifiëren als iemand die tegenover ons staat met haar gezicht naar ons toe (We face the future). Dus als we vanuit het perspectief van de toekomende tijd denken, is de oriëntatie omgekeerd. Verder kunnen we ons het dichterbij komen van de toekomst op twee manieren voorstellen: ofwel gebeurtenissen komen op ons af vanuit de toekomst en verdwijnen in het verleden (Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij), ofwel wij in het heden bewegen naar toekomstige gebeurtenissen toe (Het kabinet-Kok stevent op de verkiezingen af).

De diverse conventionele metaforen met 'het leven' als doeldomein worden door Lakoff en Turner (1980: 86-88) via een tamelijk abstracte ervaringsgrond met elkaar in verband gebracht. Er bestaat een (impliciete, onbewuste) "commonplace theory" die zegt dat het leven bestaat uit een cyclus van ten minste niets-leven-dood, of uitgebreider: niets-groei-bloei-aftakeling-dood. Nu passen bij het doeldomein 'leven' in de zin van 'levensloop' als brondomein alleen die concepten, waaraan een vergelijkbare structuur kan worden toegekend, maar ook als die structuur niet bij het normale begrip van het concept hoort. Zo wordt LIFE IS PRESENCE HERE toegepast als de cyclus afwezigheid-aanwezigheid-afwezigheid (ter wereld komen, heengaan). Deze analyse vormt vermoedelijk een overgang van de verklaring van metaforen uit de ervaringsgrond naar de verklaring uit het principe van invariantie.


De structuur van het conceptuele systeem

Idealiter zou een model van het conceptuele systeem van een bepaalde persoon, cultuur of taalgemeenschap, voor zover gestructureerd door metaforen, uit drie dimensies opgebouwd moeten worden, namelijk de metaforische relaties tussen bron- en doeldomeinen, de relaties van coherentie en contrast tussen metaforen en tussen domeinen en de categorisatie van metaforen. Een dergelijk model zou het sterkste punt van de CMT uitbuiten, een boeiend beeld van het gedachtengoed geven en een nuttige achtergrond vormen voor het interpreteren van literaire metaforen. Maar het zou natuurlijk veel werk vereisen en een uitgekiende notatie en presentatie. Zo'n model bestaat dan ook niet; er is wel een Master Metaphor List (Lakoff e.a. 1992), maar die stelt teleur qua omvang en structuur. Ross (1985) heeft als bijdrage aan de 'verticale', categoriserende dimensie, wel de basicness van een handvol concepten bepaald op grond van de volgorde van adjectieven, maar dat is een beperkte en niet al te betrouwbare methode.

Voorlopig is het al niet gemakkelijk om iets te zeggen over de verticale dimensie, d.w.z. de mate van algemeenheid van metaforen. Lakoff en Turner (1980: 80-81) maken één belangrijk onderscheid op dit gebied; ze onderscheiden generic-level metaphors en specific-level metaphors, met andere woorden: algemene en specifieke metaforen. De meeste conventionele metaforen en vermoedelijk alle originele zijn van het specifieke niveau, bv. ARGUMENT IS WAR en TIME IS MONEY. Algemene metaforen zijn abstract geformuleerde relaties als EVENTS ARE ACTIONS, STATES ARE LOCATIONS en GENERIC IS SPECIFIC. Gewoonlijk komen deze niet rechtstreeks in uitdrukkingen voor, maar alleen als onderdeel van specifieke metaforen, die een concrete invulling geven aan de algemene. GEBEURTENIS <- HANDELING is bijvoorbeeld het definiërende aspect van alle personificaties. Het belang van dit onderscheid zal duidelijk worden bij de bespreking van het principe van invariantie.

Hier moet de kanttekening geplaatst worden dat er behoefte is aan meer dan twee niveaus.(8) Er ontbreekt in het bijzonder een apart laagste niveau voor de conceptuele representatie die het dichtst bij de uitdrukking staat. Lakoff en Turner spreken wel van linguistic metaphors, 'talige metaforen', die op een lager niveau staan dan het 'conceptuele niveau', maar dat lijkt juist een onwenselijke begripsverwarring. Het gaat niet om de uitdrukking, ook niet om de volledige propositionele inhoud ervan, maar om de soms zeer specifieke metaforische relatie die er uit spreekt. Dit is met name van belang voor geïsoleerde en idiosyncratische metaforen, die niet tot een 'hogere' specifieke metafoor behoren, voor invullingen van de algemene metafoor GENERIC IS SPECIFIC (zie pp. 40-41) en voor complexe en ambiguë metaforen, die diverse algemene en specifieke metaforen vermengen. Maar het is ook nuttig om nuances aan te geven als het onderscheid tussen De inflatie heeft ons spaargeld ingepikt en De inflatie heeft ons van ons spaargeld beroofd, beide behorend tot de 'specifieke' metafoor INFLATIE <- DIEFSTAL. Voor het terminologische conflict is geen oplossing in zicht, maar hier zal de term 'specifiek' meestal gebruikt worden voor metaforen van het laagste niveau. De 'hogere' specifieke metaforen kunnen als 'basismetaforen' worden aangeduid, omdat ze vaak deel uitmaken van de grondslag van het conceptuele systeem en omdat ze concepten uitdrukken die basic zijn in de zin van Lakoff (1987) (zie noot 7).


De structuur van concepten

Eerder werd opgemerkt dat er in de CMT verscheidene termen gebruikt worden voor concepten van een zekere complexiteit. We hoeven ons hier echter alleen bezig te houden met de termen experiential gestalts (Lakoff en Johnson 1980: 77-85) en image schemas (Johnson 1987, Lakoff en Turner 1989). Experiential gestalts zijn niet zo mysterieus als de naam misschien doet vermoeden; het gaat gewoon om "multi-dimensional structured wholes" (Lakoff en Johnson 1980: 81). De crux is dat ze meer structuur hebben dan de simpele lijsten van kenmerken die volgens de generatieve grammatica de betekenis van woorden vormen. Daardoor betekent het geheel meer dan de som der delen. Die 'structuur' moeten we in metaforische zin opvatten (hoewel dat er niet bij wordt gezegd), als een soort netwerk van relaties tussen subconcepten. Deze Gestalten heten experientieel omdat ze dienen voor het organiseren van ervaringen; als voorbeelden worden genoemd CONVERSATIE en OORLOG.

In Lakoff en Turner (1989) is dit begrip vervangen door de image schemas uit Johnson (1987), die dat begrip weer afleidde uit de esthetica van Kant. Als ik het goed begrijp beschrijft die term echter een beperktere groep concepten. In ieder geval is het verschil dat deze schematische beelden letterlijk een structuur hebben, of tenminste een minder metaforische. Het grote voordeel ervan is dat ze structurele informatie efficiënter kunnen weergeven dan een propositionele representatie en op een manier die aansluit bij analoge zintuiglijke informatie. Maar het zijn ook weer geen gedetailleerde zintuiglijke voorstellingen. "An image schema is a dynamic recurring pattern of the organising activities of perception, image formation, and conceptualisation that makes it possible for us to inhabit a shared world" (Johnson 1993: 416). De term verwijst in de eerste plaats naar uiterst algemene concepten als het schema CONTAINER of BOUNDED REGION, dat de basis vormt van honderden specifieke toepassingen van de situaties 'in', 'uit', 'binnen', 'buiten', 'bevatten', 'verlaten' etc. (de laatste vormt een 'dynamisch' onderdeel). Maar Lakoff en Turner (1989: 81) suggereren dat er ook meer gedetailleerde image schemas bestaan op het specifieke niveau. In ieder geval kunnen image schemas zowel op abstracte structuren als op 'rijke' beelden geprojecteerd worden.


De structuur van de betekenisoverdracht

Lakoff (1993) benadrukt dat het bij de metafoor niet in de eerste plaats om de relatie tussen de complete bron- en doeldomeinen gaat, laat staan om de namen daarvoor, maar om de eigenlijke betekenisoverdracht. Die wordt in de CMT beschreven als een mapping, een gedeeltelijke projectie van de structuur en de betekeniselementen van het brondomein op het doeldomein.

Het is essentieel om te bedenken dat die projectie altijd slechts gedeeltelijk is. "It is important to see that the metaphorical structuring involved here is partial, not total. If it were total, one concept would actually be the other, not merely be understood in terms of it" (Lakoff en Johnson 1980: 12-13, hun cursivering). Dit principe zal een belangrijke rol spelen in hoofdstuk 2.

Termen als 'structureren' en analogical mapping impliceren dat het om een analogie gaat, waarbij alleen relaties en geen eigenschappen of attributen worden overgedragen. Dat blijkt echter niet bedoeld te zijn. Lakoff en Turner (1989: 63-64) sommen vier soorten onderdelen op die overgedragen worden: slots, relations, properties en knowledge. Dat wil zeggen: posities (of 'openingen'), relaties, eigenschappen en achtergrondkennis (met name inference patterns). Onderdelen uit het brondomein corresponderen meestal met bestaande onderdelen in het doeldomein, maar soms scheppen ze juist nieuwe onderdelen in het doeldomein; dit betreft met name posities. Zo is het idee van een 'levensweg' afgeleid uit de positie van een 'pad' of 'route' in het brondomein 'reis' (van de metafoor LEVEN <- REIS).

De conceptuele projectie van betekenis is zeker geen klassieke analogie. Die beperkt zich niet alleen tot abstracte relaties, maar ook tot een beperkt aantal elementen, bij voorkeur tweemaal twee. Bovendien is de klassieke analogie alleen van toepassing bij sommige letterlijke analogieën, die omkeerbaar zijn zonder verandering van betekenis.(9) Het is een symmetrische vergelijking, terwijl de metaforische projectie uitsluitend van bron naar doel gaat en zelfs nieuwe posities in het doeldomein kan scheppen. Het lijkt me niet verstandig om, zoals Steen (1994) doet, verschillende soorten van 'analogie' te behandelen als varianten die in wezen tot een enkele theorie behoren - ook al wordt het woord 'analogie' in alle benaderingen gebruikt. Ook in de wetenschappelijke meta-taal gaat het niet om de woorden, maar om de begrippen.


Invariantie

De invariantiehypothese is een tentatieve hypothese die een overkoepelende regel voorstelt voor alle metaforen(10), algemene en specifieke, conventionele en originele. Ze werd voor het eerst gepubliceerd in Lakoff en Turner (1989: 82) als "the principle of preserving generic-level structure in the mapping". Dat principe bestaat uit twee delen, hier geformuleerd in de gebiedende wijs:

- Preserve the generic level of the target except for what the metaphor exists explicitly to change.
- Import as much of the generic-level structure of the source as is consistent with the first condition (ibidem).

Een voorbeeld van het uitdrukkelijk veranderen vinden we bij de personificatie: "EVENTS ARE ACTIONS exists explicitly to change events to actions, often by making nonagents into agents. (...) Here, general causal structure is preserved, though agency is explicitly changed" (ibidem). Aan de andere kant verklaart invariantie bijvoorbeeld de beperking dat als je iemand een stomp geeft, je die stomp niet kwijtraakt aan het slachtoffer. In de metafoor ACTIONS ARE TRANSFERS wordt het element 'bezit' namelijk niet overgedragen, omdat het tot de algemene structuur van 'handelingen' behoort dat ze niet duurzaam zijn (Lakoff 1993: 216).

Na More than Cool Reason is de hypothese door Lakoff en Turner afzonderlijk uitgewerkt. Zij formuleren de hypothese in verschillende versies:

The Invariance Hypothesis: Metaphorical mappings preserve the cognitive topology (this is, the image-schema structure) of the source domain (Lakoff 1990: 54).

It appears that the strongest acceptable version of the constraint is: In metaphoric mapping, for those components of the source and target domain determined to be involved in the mapping, preserve the image-schematic structure of the target, and import as much image-schematic structure from the source as is consistent with that preservation. This is the formulation of the Invariance Hypothesis that Lakoff and I currently propose. (Turner 1990: 254).

Metaphorical mappings preserve the cognitive topology (that is, the image-schema structure) of the source domain, in a way consistent with the inherent structure of the target domain (Lakoff 1993: 215).

Deze definities van de hypothese mogen dan uiteenlopen, in de toepassing blijkt dat Lakoff haar niet zo absoluut opvat als hij doet voorkomen. De formulering van Turner (1990) lijkt mij dan ook de beste. In dat artikel toont hij zich nog voorzichtiger dan in de geciteerde formulering. Het is volgens hem wel mogelijk dat de beperking tot invariantie overtreden wordt. Overtredingen komen echter alleen in originele metaforen voor en ze hebben altijd een bijzondere betekenis. Turners favoriete voorbeeld is de vertroostende afscheidsrede van Jezus Christus in het Johannes-evangelie. Jezus doet onder andere de volgende uitspraken:



Ik ga heen om u een plaats te bereiden (...) En waar ik heenga, weet gij, en den weg weet gij (...) Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door mij (Joh. 14: 2, 4, 6).

Deze tekst veroorzaakt een cognitieve kortsluiting, omdat een weg in de metafoor LEVEN <- REIS niet op een persoon geprojecteerd kan worden en een weg plus een reiziger al helemaal niet. Daardoor worden we gedwongen om een originele oplossing te bedenken: bijvoorbeeld een scheiding in twee metaforen, een voor Jezus' reis en een voor de reis van de apostelen - of we kunnen het lezen als een demonstratie van goddelijke wijsheid die de menselijke rede overstijgt. Misschien kunnen we concluderen dat er alleen in de productie van metaforen overtredingen mogelijk zijn, terwijl er in het begrip noodzakelijkerwijs aan de invariantie wordt vastgehouden.



© Edwin den Boer 1998

Terug naar boven  Naar volgende paragraaf  Overzicht Metafooronderzoek  Welkomstpagina