De conceptuele metafoortheorie wordt door de aanhangers ervan meestal aangeduid als 'de cognitieve metafoortheorie' of kortweg cognitive metaphor. Die benaming lijkt mij echter iets te pretentieus - hoewel minder erg dan het triomfalistische "The contemporary theory of metaphor", de titel van Lakoff (1993). Er zijn namelijk ook metafooronderzoekers die wel binnen het cognitieve paradigma(2) werken, maar niet de CMT aanhangen. De interactietheorie zou men ook cognitief kunnen noemen, hoewel het vaak onduidelijk is of de termen van een metafoor voor de interactionisten bestaan uit betekenissen, gedachten, woorden of dingen. Maar minstens even belangrijk is het onderzoek van bepaalde cognitieve psychologen, die verschillende opvattingen over de metafoor vertegenwoordigen.
Dus noem ik de theorie liever 'conceptueel', in navolging van Gibbs (1992:
596), want het is een onderscheidend kenmerk van de CMT dat metaforen worden
beschouwd als relaties tussen concepten en niet tussen woorden. Deze visie komt
ook wel voor in andere benaderingen, maar speelt nergens zo'n centrale rol als in de
CMT. Een mogelijk alternatief is de term 'experiëntialisme', vanwege het belang dat
aan de ervaring gehecht wordt.
Om te beginnen volgt hier een schematisch overzicht van de CMT. Het bestaat uit
acht stellingen, ingedeeld in drie groepen, die als de hoofdpunten van de theorie
beschouwd kunnen worden. Objectieve volledigheid is in dit overzicht niet
nagestreefd en de kenmerken zijn onderling zo nauw verbonden dat ze ook anders
ingedeeld kunnen worden.
1a. De meeste menselijke gedachten en uitspraken zijn gedeeltelijk metaforisch - strikt letterlijk taalgebruik is een uitzondering.
1b. Conventionele metaforen zijn niet 'dood' en zelfs niet 'slapend'. Integendeel, juist doordat ze niet bewust herkend worden, zijn ze bepalend voor het wereldbeeld van een (sub)cultuur of taalgemeenschap.
1c. De menselijke geest ervaart de werkelijkheid niet direct, maar via een cultureel
bepaald conceptueel systeem.
2a. Een metafoor bestaat uit het ten dele begrijpen van een concept 'in termen van' een ander concept, uit een ander betekenisdomein, maar van een vergelijkbare 'cognitieve structuur'; dat andere domein heet het brondomein, het domein dat daardoor op metaforische wijze beschreven wordt heet het doeldomein.
2b. Met uitzondering van de meest originele gevallen zijn metaforen geen willekeurige verbindingen van concepten; het verband is geworteld in een ervaringsgrond.
2c. Het conceptuele systeem is grotendeels door metaforen gestructureerd.
Specifieke conventionele metaforen worden niet (alleen) als oneigenlijke
woordbetekenis onthouden en verwerkt, maar (ook) als toepassing van een basis- of
algemene metafoor. Metaforen zijn onderling gerelateerd door middel van categorisatie (specifieke als onderdeel van algemene) en overeenkomst of contrast in
brondomein, doeldomein of ervaringsgrond.
3a. Een metafoor kan in taal uitgedrukt worden, maar ook in gebaren, afbeeldingen, handelingen, grammaticale structuren en mogelijk nog andere media.
3b. Er is geen onoverkomelijk verschil in aard tussen betekenissen en beelden
(mentale representaties of simulaties van zintuiglijke waarnemingen); de cognitieve
structuur van een complex concept wordt onthouden door middel van een
tussenvorm: het image-schema.
De eerste expliciete conceptuele metafoortheorie werd geformuleerd in het boek Metaphors We Live By (Lakoff en Johnson 1980). Daarna is de theorie verder ontwikkeld in diverse artikelen en discussies, in Johnson (1987) en in Lakoff (1987), een lijvig boekwerk, samengevat in Lakoff (1989). Een redelijk definitieve versie, met veel aanvullingen en kleine aanpassingen, is dan gepresenteerd in More than Cool Reason (Lakoff en Turner 1989). In dat werk is bovendien ruime aandacht besteed aan de studie van poëtische metaforen. Andere belangrijke toepassingen op literair gebied zijn Turner (1987) en Freeman (1993a). De filosofische achtergrond wordt nader beschouwd in Johnson (1987).
Talrijk zijn de taalkundige studies - de CMT vormt de kern van een nieuwe richting in de taalkunde, de cognitieve linguïstiek - en de studies van metaforen in vakgebieden of thema's. Ook kan de theorie het retorische onderzoek nieuw leven inblazen. Dat kan samengaan met een soort ideologiekritiek, zoals de scherpe kritiek van Lakoff (1992) op politici die het publiek met metaforen manipuleren om een oorlog te propageren.
Voor de empirische validatie van de theorie zijn vooral het overzichtswerk van
Gibbs (1994) en het onderzoek van Sweetser (1990) van belang, maar ook Lakoff
(1993) kan daarvoor nuttig zijn: het is een recente, complete en systematische samenvatting van de theorie.
Volgens Stienstra (1993: 30-34) heeft de CMT een onbetaalde 'intellectuele schuld' aan de interactietheorie openstaan. Lakoff en Johnson zouden de invloed van Black (1962) verzwijgen en Lakoff (1987), gevolgd door Lakoff en Turner (1989), zou de termen 'bron-/doeldomein' zonder bronvermelding hebben overgenomen van Kittay en Lehrer (1981), die echter de termen donor/recipient (semantic) field gebruiken. Volgens Butters (1981) zijn Lakoff en Johnson schatplichtig aan de general semantics van Korzybski (1941) en anderen en aan de beschrijving van analoge modellen door onder anderen Black (1962).(3) Verkuyl (1994) beweert dat de CMT weinig nieuws brengt ten opzichte van het localisme, een taalfilosofie of grammatica volgens welke de ruimtelijke of de 'spatiotemporele' ervaring de basis vormt van alle kennis en betekenis.(4)
Wat er waar is van deze aantijgingen kan ik niet goed beoordelen. Maar we kunnen het debat erover gerust overlaten aan de wetenschapshistorici. De overeenkomsten met oudere denkbeelden kunnen ook opgevat worden als aanwijzingen voor de geldigheid van het conceptualisme. Tenzij men zou aannemen dat de CMT minder te bieden heeft dan de voorlopers en dus overbodig is. Ik zal laten zien dat het tegendeel waar is, dus dat de CMT informatiever is en met name de interactietheorie overbodig heeft gemaakt.
Van de vele voorlopers die Lakoff en Johnson (1980) wel noemen, is de
belangrijkste Reddy (1979), die zo dadelijk aan de orde komt. Een tweede belangrijke
invloed was Nagy (1974), die oriëntatiemetaforen analyseerde. Deze komen aan bod in § 1.2; zijn werk heb ik helaas niet kunnen inzien. Hun opvattingen over letterlijke
taal zijn mede gevormd of bevestigd door Rumelhart (1979). De CMT is geen vervolg
van Lakoffs eerdere werk in de generatieve semantiek, maar een daaraan verwante
benadering, de zogenaamde frame semantics van Fillmore, heeft er wel aan
bijgedragen.
Reddy (1979) wordt hier niet om historische redenen behandeld, maar omdat het nog steeds de uitvoerigste analyse van een conventionele metafoor is die ik ken. De analyse is dubbel interessant omdat het een metafoor voor communicatie betreft. Volgens Reddy is de conduit metaphor een frame (een denkraam) dat de 'taal over taal' in het Engels overheerst, met ernstige gevolgen voor politiek en wetenschap.
Een conduit is een buis of een kanaal, maar het idee waar het om gaat is
'verplaatsing van voorwerpen in een verpakking of voertuig', wat in het Nederlands
beter, met minder irrelevante associaties, wordt uitgedrukt door de term transport. De
transportmetafoor wordt door Reddy ingedeeld in twee aparte frameworks. In beide
worden ideeën voorgesteld als voorwerpen; in het eerste, belangrijkste raamwerk,
worden bovendien woorden voorgesteld als containers (verpakkingen). Het eerste
bestaat weer uit vier categorieën van (meest werkwoordelijke) uitdrukkingen, die elk
een bepaalde aanname vertegenwoordigen. Hieronder worden de aannames
weergegeven, steeds gevolgd door twee voorbeelduitdrukkingen. Deze zijn in het
Nederlands weergegeven wanneer ze onmiskenbaar in het Nederlands
geconventionaliseerd zijn. Daarbij wordt de term 'betekenis' gebruikt voor Reddy's
repertoire members, die ook uit emoties kunnen bestaan.
Het tweede, kleinere, framework is vooral van toepassing op massacommunicatie,
want het veronderstelt geen transport van persoon tot persoon, maar een los
rondzweven van gedachten. Het is te verdelen in drie categorieën:
Deze analyse roept drie vragen op. Ten eerste: vormt deze verzameling een geheel, een conceptuele metafoor, of bestaat ze uit losse uitdrukkingen? Ten tweede: bepaalt deze conceptuele metafoor ons denken over communicatie? En ten derde: is dat onwenselijk? Reddy haast zich om meteen de derde vraag bevestigend te beantwoorden. Op dat punt draaft hij door, maar het gaat hier vooral om de eerste twee vragen. Deze moeten zeker bevestigend beantwoord worden, op grond van het aantal uitdrukkingen en het samenhangende model dat zij impliceren. "If there were only a few such expressions, or if they were random, incoherent figures of speech, arising from different paradigms - or if they were abstract, not particularly graphic images - then one might just succeed in dismissing them as harmless analogies. But, in fact, none of these mitigating circumstances comes into play" (Reddy 1979: 287).
In het artikel worden 141 transport-uitdrukkingen opgesomd (waaronder enkele dubbeltellingen) tegenover maximaal 45 neutrale uitdrukkingen of andere metaforen (waaronder 13 twijfelgevallen). Natuurlijk zijn dit niet alle concepten die met communicatie in taal te maken hebben, maar het lijkt wel een redelijk complete verzameling van de algemene terminologie. In bepaalde vakgebieden zullen specifieke toepassingen van de transportmetafoor voorkomen, zoals het lekken van informatie (categorie E) in de journalistiek. Op het gebied van de stilistiek doet deze analyse denken aan de hardnekkige misvattingen dat stijl iets is wat naar believen aan de 'inhoud' toegevoegd kan worden en dat bepaalde woorden objectief en in elke context mooi of lelijk zijn.
Hoewel een alternatieve metafoor niet noodzakelijk is voor een realistisch inzicht, zou die het wel veel makkelijker maken. "Practically speaking, if you try to avoid all obvious conduit metaphor expressions in your usage, you are nearly struck dumb when communication becomes the topic" (Reddy 1979: 299). In een wetenschappelijk vertoog hoeft dat geen bezwaar te zijn: we kunnen transport-uitdrukkingen als 'zender' en 'ontvanger' gerust gebruiken, zolang we ze maar nadrukkelijk definiëren als etiketten voor bepaalden rollen in de communicatieve situatie en niets meer dan dat.
In een maatschappelijk vertoog is het moeilijker om metaforen voortdurend
kritisch te benaderen, om steeds op je woorden te letten. Reddy heeft gelijk dat het
een schadelijke implicatie van de transportmetafoor is dat communicatie gewoonlijk
succes oplevert zonder inspanning van de ontvanger. Dat idee leidt onherroepelijk tot
frustratie bij elk misverstand of niet-begrijpen. Verder is het voor de cultuurpolitiek
inderdaad een gevaarlijk idee dat ideeën en cultureel erfgoed in bibliotheken en
archieven opgeslagen kunnen worden voor het nageslacht, zonder mensen op te
leiden die het erfgoed 'levend' kunnen houden. Voor de wetenschap als sociale
activiteit kunnen we denken aan de bekende waarschuwing dat de groeiende
'productiviteit' in de vorm van publicaties niet per se tot een groei van zinvolle
wetenschappelijke communicatie zal leiden.
In § 1.4 komt de empirische waarde van de CMT aan bod. Empirisch onderzoek moet beslissend zijn voor de beoordeling van de theorie, maar hier kunnen vast een paar kleinere voor- en nadelen worden afgewogen.
Een belangrijk voordeel is dat er licht geworpen wordt op de samenhang tussen individuele metaforische uitdrukkingen, wat weer geleid heeft tot het inzicht dat gestructureerde brondomeinen vorm geven aan minder bepaalde, abstracte doeldomeinen. Dit wordt ook erkend door de twijfelaars die nog aan de interactietheorie hechten, zoals Stienstra (1993: 31). In het vervolg (§ 1.3) zal blijken dat die samenhang zich zelfs uitstrekt tot originele, literaire metaforen.
Het belang hiervan blijkt bijvoorbeeld uit een vergelijking met de studie van Van Buuren (1985). Hij heeft een indrukwekkende inspanning geleverd door 'alle metaforen' (d.w.z. alle metaforische uitdrukkingen van enige originaliteit) in Zola's romancyclus Les Rougon-Macquart te beschrijven. Maar hij beschikte niet over een theoretisch kader om verwante metaforen met elkaar in verband te brengen. Tenminste, niet over een wetenschappelijk kader. Bij gebrek aan beter, zo lijkt het, heeft hij een beroep gedaan op Jungs leer van de archetypen. Die past weliswaar redelijk bij de metaforiek van Zola - in het bijzonder bij Germinal, waarin een kolenmijn optreedt als een chtonisch monster - maar lijdt aan drie ernstige tekortkomingen. Hij biedt geen verklaring die op controleerbare stellingen berust, hij leert ons niets over hoe lezers deze metaforen begrijpen en hij maakt het niet mogelijk om Zola's oeuvre te vergelijken met andere werken waarin minder Jungiaanse brondomeinen de boventoon voeren.
Andere voordelen van de CMT zijn onder meer dat ze de onjuiste voorwaarde dat metaforisch taalgebruik letterlijk onwaar moet zijn heeft losgelaten en dat de theorie ook van toepassing is op andere uitdrukkingsvormen dan taal.
De belangrijkste nadelen zijn tekortkomingen die nog aangevuld zouden kunnen worden. Om te beginnen is er nog teveel onduidelijkheid, zij het aanmerkelijk minder dan in de interactietheorie. De grote lijnen van de theorie zijn helder, maar sommige details zijn niet goed uitgewerkt. Een van de oorzaken is vermoedelijk dat de CMT voornamelijk is opgesteld in publicaties die voor een groot publiek geschreven zijn, zoals Lakoff en Johnson (1980) en Lakoff en Turner (1989). De theoretische bepaaldheid is daarbij opgeofferd aan de leesbaarheid. Er ontbreekt bijvoorbeeld een duidelijke beschrijving van de structuur van het conceptuele systeem, vooral van het verschil tussen concepten en domeinen en van de hiërarchische relaties tussen algemene en specifieke metaforen (zie verder § 1.2).
Verder heeft met name Lakoff de neiging om verschillende termen voor vergelijkbare verschijnselen in omloop te brengen. Neem de reeks experiential gestalt, (idealized) cognitive model, image schema (uit Johnson 1987) en cognitive topology. Deze begrippen liggen in elkaars verlengde, maar het is niet duidelijk in hoeverre ze elkaar overlappen (vgl. de kritiek van Brugman 1990).
Een andere belangrijke tekortkoming is dat er geen afdoende verklaring
gegeven wordt voor het bestaan van algemene conceptuele metaforen. Het idee van
de ervaringsgrond, dat in de volgende paragraaf ter sprake zal komen, is interessant,
maar verklaart mijns inziens niet de systematiciteit van conventionele metaforen. Een
betere verklaring wordt al geboden door de zogenaamde invariantiehypothese, maar
de meest overtuigende verklaring lijkt mij te liggen in de concretiseringshypothese,
die in het volgende hoofdstuk voorgesteld zal worden.
© Edwin den Boer 1998